De NJSO klinkt als een gesubsidieerd verlengstuk van OCW. Letschert kan zich geen betere belangenbehartiger wensen

Gepubliceerd op 27 oktober 2026 om 15:36

Volgens het Nationaal Joods Studenten Overleg verlaten steeds meer Joodse jongeren Nederland om elders te studeren. Zij ervaren een vijandige sfeer en vragen zich af of hier nog een toekomst voor hen is. De NJSO spreekt in haar brief van 23 oktober aan de Tweede Kamer zelfs van een existentiële last en dreigende verschraling van Joods leven. Het is een ernstige boodschap. Des te opvallender is hoe weinig de auteurs uiteindelijk eisen van degenen die studenten behoren te beschermen.

Na vijf pagina’s resteren vier vragen aan de minister. Wil zij bevestigen dat instellingen kunnen ingrijpen? Wil zij hun verantwoordelijkheid erkennen? Wil zij om rapportages vragen en het onderwerp agenderen? Wie de ernst van de beschreven situatie onderschrijft, moet vaststellen dat dit een buitengewoon bescheiden antwoord is.

Bovendien zijn belangrijke antwoorden allang gegeven. Minister Dijkgraaf beschreef in mei 2024 al de bevoegdheden om huisregels te handhaven en maatregelen tegen studenten en medewerkers te nemen. In maart 2026 erkende minister Letschert de onveiligheid van Joodse studenten en medewerkers en de ernstige gevolgen daarvan. In april zette zij opnieuw uiteen welke maatregelen instellingen kunnen treffen. Het kabinet had toen ook al toegezegd de uitvoering van de Taskforce-aanbevelingen in het bestuurlijke contact te blijven volgen. 1, 2, 3, 4

De vraag is inmiddels welke instellingen hun verantwoordelijkheid onvoldoende nemen en wat daarop volgt. De NJSO maakt het de minister gemakkelijk om opnieuw te antwoorden dat zij de zorgen deelt en gesprekken voert. Daarmee kan zij de ministervragen grotendeels beantwoorden zonder één concrete verbetering te hoeven aantonen.

De auteurs helpen daarbij door vooraf te verklaren dat zij geen specifieke personen of instellingen willen bekritiseren. Vervolgens beschrijven zij bestuurders die tegenover Joodse studenten machteloosheid voorwenden, terwijl zij bij Israëlbeleid wel normatieve keuzes maken. Zij suggereren zelfs dat besturen toegeven aan bedreiging en intimidatie. Dat zijn ernstige verwijten. Welke instellingen worden bedoeld? Welke beslissingen bewijzen het?

Studenten kunnen anoniem blijven terwijl openbare bestuursbesluiten controleerbaar worden besproken. Wie bestuurlijk falen aan de orde stelt, moet de verantwoordelijkheid herkenbaar maken. De brief laat Kamerleden nauwelijks een concrete casus waarmee zij de minister kunnen confronteren.

Over de eigen positie zijn de auteurs aanzienlijk preciezer. Zij hebben gesproken met ministers, minister-presidenten, bestuurders en Kamerleden. Er was een reis naar Auschwitz. Het contact met het ministerie is goed. Bij universiteitsbestuurders vinden zij een luisterend oor. Ook de financiering wordt exact genoemd: 100.000 euro per jaar gedurende twee jaar.

Dat geld is volgens de brief al toegekend. Er ligt hier geen expliciete aanvraag voor een nieuwe subsidie. Wel verantwoordt de tekst de positie van de NJSO als gefinancierde gesprekspartner en presenteert hij de organisatie opnieuw als onderdeel van de oplossing. Er komt een studentenbegeleider, er zijn lokale initiatieven en er worden kennisactiviteiten ontwikkeld. Instellingen kunnen met de NJSO overleggen en studenten naar haar begeleider doorverwijzen.

Daarmee heeft de brief ook een functie voor de organisatie zelf. Hij onderbouwt waarom de NJSO nodig zou blijven en leest daarmee ook als een rechtvaardiging van een blijvende financieringsrelatie. Over de bescherming die studenten dankzij die positie daadwerkelijk krijgen, is hij veel minder duidelijk.

Een begeleider kan waardevol werk doen. Publieke financiering kan goed besteed zijn. Maar activiteiten en contacten bewijzen nog geen betere bescherming. Welke concrete resultaten heeft drie jaar overleg opgeleverd? Welke afspraken zijn nagekomen? Waar heeft tussenkomst van de NJSO aantoonbaar verschil gemaakt? De brief geeft daarop onvoldoende antwoord.

Het voortbestaan van een overlegorgaan is geen maatstaf voor succesvolle belangenbehartiging. Juist wanneer een organisatie subsidie ontvangt, mag worden gevraagd namens wie zij spreekt en hoe haar achterban haar resultaten kan beoordelen. Wie zich met de ernst van de onveiligheid als noodzakelijke gesprekspartner presenteert, moet ook laten zien wat zijn eigen bijdrage oplevert en waar zijn aanpak moet veranderen.

Ook de verhouding tot de subsidiegever verdient aandacht. De NJSO moet onafhankelijk kunnen oordelen over het ministerie en de instellingen waarmee zij samenwerkt. Uit financiering volgt geen bewijs van volgzaamheid. Maar een kritische brief die de goede contacten uitgebreid etaleert en de verantwoordelijke instellingen onbenoemd laat, roept wel de vraag op hoeveel gewicht het behoud van die contacten krijgt.

Die vraag wordt scherper door de manier waarop de auteurs andere studenten beschrijven. Het eigen geluid zou “minder fel en genuanceerder” zijn dan dat van individuele studenten aan beide uiteinden van het spectrum. Daarmee wordt felheid stilzwijgend tegenover nuance geplaatst. Welke argumenten van die anderen tekortschieten, blijft onbesproken.

Een student die na intimidatie boos spreekt, heeft daarmee geen minder betrouwbare ervaring. Een belangenorganisatie behoort ook voor die student op te komen. Zij moet haar gezag aantonen met argumenten en een controleerbaar mandaat. Geografische spreiding van deelnemers vertelt nog niet hoe studenten worden geraadpleegd of hoe afwijkende ervaringen worden vertegenwoordigd.

Nog ongelukkiger is de formulering dat studenten niet als “beroepsjood” willen aanschuiven om “zielig gevonden te worden”. De achterliggende klacht is terecht: studenten moeten hun eigen veiligheid niet voortdurend hoeven organiseren. Maar wie discriminatie meldt, vraagt om bescherming. De suggestie van een beroepsmatige identiteit en een verzoek om medelijden had uit deze brief geweerd moeten worden.

Ook de bewijsvoering behoeft meer discipline. De auteurs stellen dat steeds meer jongeren vertrekken en dat juist de kern van de gemeenschap het vaakst weggaat. Aantallen, perioden en een definitie van die kern ontbreken. Gesprekken kunnen ernstige signalen opleveren. Wie daarmee een landelijke ontwikkeling beschrijft, moet uitleggen waarop die vergelijking berust.

Juist omdat de minister in maart meldde dat niet bekend is hoe vaak Joodse studenten en medewerkers hun studie of betrekking beëindigen en waarom, lag hier een concrete onderzoeksvraag. 2 De brief stelt haar niet. Hij gebruikt een kennislacune als achtergrond voor een alarm, zonder de Kamer te vragen die lacune te dichten.

De passage over boycotbeleid vertoont een ander mankement. De auteurs schrijven dat Joden niet verantwoordelijk zijn voor Israël en dat een boycot daarom los zou staan van hun veiligheid. “In principe klopt dat”, voegen zij toe. Maar de tweede stelling volgt niet uit de eerste. Juist onterechte vereenzelviging met Israël kan betekenen dat universitair beleid gevolgen heeft voor Joodse studenten. Die gevolgen verdienen onderzoek.

Daarvoor zijn concrete criteria nodig. De brief noemt een vrijwel volledige boycot zonder nauwkeurig te omschrijven welke samenwerkingen worden bedoeld. Vervolgens ontbreekt bij de ministervragen een gerichte opdracht om dat beleid op consistente criteria en uitsluitende effecten te toetsen. Een verstrekkende beschuldiging blijft zo politiek onbenut.

Intussen worden rechten soms kleiner geformuleerd dan nodig. Bij sjabbat en Joodse feestdagen moeten instellingen “proberen” een alternatief of herkansing te faciliteren. Maar de gelijkebehandelingswetgeving kan meer verlangen dan welwillendheid. De Commissie Gelijke Behandeling oordeelde al in 2008 dat een universiteit verboden indirect onderscheid maakte door een Joodse kandidaat geen uitzondering toe te staan op een zaterdagse selectiedag. 5 Een verzoek verdient een zorgvuldige juridische beoordeling. Een verwijzing naar de gewone herkansing kan bovendien een reguliere tentamenkans kosten.

Ook contactpersonen zonder beslissingsbevoegdheid bieden nog geen onafhankelijke rechtsbescherming. Wat gebeurt er als de klacht juist het bestuur betreft? Wie bewaakt de behandeltermijn? Hoe wordt een student tegen benadeling beschermd? Daarover blijft de brief opvallend stil. Voor degenen die tijdens een procedure onderwijs moeten blijven volgen, zijn dat beslissende vragen.

De Kamer zou deze brief daarom op twee niveaus moeten beoordelen. Welke maatregelen hebben studenten onmiddellijk nodig? En welke resultaten mag zij verlangen van een inmiddels publiek gefinancierde organisatie die hun belangen vertegenwoordigt?

Dat vraagt om een openbaar overzicht van de uitvoering per instelling, concrete termijnen en onafhankelijke beoordeling waar het bestuur zelf onderwerp van kritiek is. Studenten moeten tijdens een procedure veilig onderwijs kunnen volgen. Bij aanhoudend falen moet duidelijk zijn wie ingrijpt.

De NJSO beschrijft jongeren die hun toekomst in Nederland betwijfelen. Zo’n diagnose verplicht tot meer dan het opnieuw organiseren van erkenning. De organisatie maakt helder dat zij wordt gehoord en middelen ontvangt om door te werken. Nu moet zij even helder maken wat studenten dankzij die positie daadwerkelijk kunnen afdwingen.

Bronnen

Uitgangspunt is de NJSO-brief van 23 oktober 2026 aan de vaste commissie voor Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, ondertekend door Joey Pekel en Yanki Jacobs. De beoordeling van de politieke werking en financieringsfunctie van de brief is een interpretatie van de tekst.

  1. Minister Dijkgraaf, brief van 31 mei 2024, Kamerstuk 29240, nr. 139.
  2. Antwoorden minister Letschert, ontvangen 13 maart 2026, Aanhangsel Handelingen 2025–2026, nr. 1325.
  3. Kabinetsbrief Antisemitismebestrijding, 10 april 2026, met name p. 4–5.
  4. Plenair debat over Gevangen in Vrijheden, 21 april 2026, met name p. 43.
  5. Commissie Gelijke Behandeling, oordeel 2008-4, 15 januari 2008.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.