Onder Letschert wordt antisemitisme gemanaged. Deel 2: Ook het jodendom wordt bestuurlijk gevormd en geïnstrumentaliseerd.

Gepubliceerd op 20 augustus 2026 om 23:09
“U geeft aan”, deel II

“Onze landelijke studentenrabbijn”

Hoe een informeel gegroeide titel door ministeriële taal, bestuurlijke nabijheid en publiek geld een status krijgt die in de formele Nederlandse stukken niet als benoeming zichtbaar is.

Op 21 april 2026 spreekt minister Rianne Letschert in de Tweede Kamer over “onze landelijke studentenrabbijn”. Zij bedoelt Yanki Jacobs. Zowel “landelijke” als “onze” verdient nadere aandacht, omdat geen van beide woorden neutraal is in een debat waarin de minister spreekt namens de regering over Joodse studenten, hun veiligheid en de besteding van publiek geld.

Van landelijk actief naar landelijke studentenrabbijn

Yanki Jacobs is studentenrabbijn en hij is landelijk actief. Dat staat niet ter discussie. Iets anders is de vraag of hij de landelijke studentenrabbijn van Nederland is in de betekenis van een unieke, formeel verleende positie. Voor zover uit de onderzochte openbare bronnen blijkt, is zo'n Nederlandse benoeming niet zichtbaar.

Zelfs de Taskforce Antisemitismebestrijding formuleert terughoudender. Zij noemt Jacobs een “landelijk actieve studentenrabbijn”. Daarmee beschrijft zij zijn werkzaamheden zonder een exclusieve nationale functie te creëren.

Ook de Chabad-structuur geeft geen grond voor de vanzelfsprekendheid van de ministeriële titel. Stichting Chabad on Campus Nederland is een afzonderlijke stichting met een eigen bestuur, eigen statuten en een landelijke opdracht rond Joodse studenten. Die stichting wil de Joodse stem binnen het Nederlandse studentenmilieu laten horen, studenten adviseren, pastorale zorg bieden, sociale activiteiten organiseren en Joods leiderschap ontwikkelen. Dat zij landelijk werkt, maakt haar nog niet tot Chabad Nederland als geheel.

De officiële geschiedenis van Chabad Nederland beschrijft hoe rabbijn Ies Vorst vanuit het internationale Chabad-hoofdkwartier in New York naar Nederland werd gezonden om Chabad hier op te bouwen. Stichting Chabad on Campus Nederland staat binnen dat bredere landschap als een afzonderlijke organisatie. Uit haar eigen statuten blijkt evenmin dat zij studentenrabbijnen voor Nederland benoemt of hiërarchisch boven andere Chabad-rabbijnen staat. Ook andere rabbijnen werken met Joodse studenten. Mendel Katzman in Den Haag is slechts één voorbeeld.

Jacobs zelf gebruikt de landelijke kwalificatie of laat die in publicaties rond zijn werk gebruiken. Zo kan een titel maatschappelijk ingeburgerd raken. Maar veelvuldig gebruik is nog geen institutionele benoeming. De formele stukken laten vooral zien dat Jacobs landelijk actief is en dat Chabad on Campus landelijk met studenten werkt. Dat is iets anders dan een officiële nationale functie waarvan één persoon de benoemde drager is.

De Taskforce beschrijft een activiteit. Letschert maakt er een positie van.

En dan “onze”

Daar voegt Letschert een bezittelijk voornaamwoord aan toe. Misschien is “onze” minder staatsrechtelijk bedoeld dan het klinkt. In Brabant kan zonder enige constitutionele pretentie worden gesproken over “onze Rianne”. Maar de Tweede Kamer is geen Brabantse keukentafel. Letschert staat daar als minister en spreekt namens de regering. In die context is “onze” een opvallend familiaire aanduiding voor een religieuze functionaris wiens exclusieve landelijke status zelf al niet institutioneel vaststaat.

Jacobs is niet de rabbijn van OCW, niet van het kabinet en niet van de Nederlandse staat. Gelukkig gaat de overheid daar niet over. Het probleem is daarom niet dat Letschert Jacobs formeel benoemt. Dat doet zij niet. Het probleem is dat zij een informeel gegroeide titel behandelt alsof de daaruit gesuggereerde landelijke positie voor de overheid al een gegeven is.

Dat Jacobs daar kennelijk geen bezwaar tegen heeft, is niet het relevante punt. Ministeriële erkenning is voor iedere maatschappelijke vertegenwoordiger waardevol. De institutionele afstand had niet door Jacobs maar door de minister bewaakt moeten worden.

Vertrouwd genoeg voor “onze”

Misschien verklaart vertrouwdheid iets van de achteloosheid waarmee dat woord uit Letscherts mond komt. De relatie met de familie Jacobs begon niet bij Yanki. Zijn vader, opperrabbijn Binyomin Jacobs, werd al in Maastricht gesprekspartner van Letschert in een periode waarin haar universiteitsbestuur onder kritiek stond vanwege antisemitisme en de omgang met Joodse en pro-Israëlische stemmen.

Na een ontmoeting op 25 juni 2025 schreef Jacobs senior dat Letschert de zorgen begreep, alles zou doen wat binnen haar vermogen lag en dat hij “alle fiducie” in haar had. Hij publiceerde het verslag bovendien ook in het Engels op Joods Maastricht. De verhouding bleef later niet beperkt tot formele vergadertafels. Er was rechtstreeks contact en Letschert bracht haar eerste vakantiedag met Jacobs en zijn vrouw door in het Anne Frank Huis en daarna in de Portugese Synagoge.

Daar is op zichzelf niets onbehoorlijks aan. Een minister mag een opperrabbijn kennen en een rabbijn mag vertrouwen hebben in een bestuurder. Binnen dit dossier is alleen de continuïteit relevant. In Maastricht wordt Jacobs senior een vertrouwde Joodse gesprekspartner die publiek zijn vertrouwen in Letschert uitspreekt. In Den Haag wordt diens zoon een terugkerende gesprekspartner over Joodse studenten en uiteindelijk “onze landelijke studentenrabbijn”. De banden zijn warm. Dat mag. Warmte is alleen geen selectiecriterium voor publiek geld.

Van erkenning naar geld

NJSO werd in 2024 vanuit de kring rond Chabad on Campus geïnitieerd en zou daarna onafhankelijk functioneren. Op 3 december 2024 wordt de Stichting ter Bevordering Nationaal Joods Studenten Overleg opgericht. Yanki Jacobs wordt voorzitter. In augustus 2026 ontvangt die stichting subsidie van OCW.

Daarmee ontstaat een circulair effect. De minister behandelt Jacobs als landelijke gesprekspartner. Vervolgens krijgt de stichting waarvan hij voorzitter is middelen om landelijke activiteiten voor Joodse studenten te ontwikkelen. Die activiteiten kunnen het bereik en de institutionele positie van NJSO verder versterken. Wie als landelijk wordt erkend, krijgt zo geld om landelijker te worden.

Daarvoor hoeft niemand iets te hebben afgesproken. Dat is juist waarom een transparante procedure noodzakelijk is. Een overheid die zelf niet over religieuze representatie gaat, moet voorkomen dat haar geld de representatieve werkelijkheid gaat produceren die zij vooraf al veronderstelde.

Definitiemacht

Letschert bepaalt bovendien niet alleen welke vertegenwoordiger voor haar relevant is. Zij hanteert ook verschillende definities van de groep die zij zegt te willen beschermen. Wanneer haar wordt gevraagd hoeveel Joodse studenten wegens antisemitisme hun studie hebben gestaakt, wijst zij erop dat onderwijsinstellingen levensbeschouwing niet registreren. Joods-zijn verschijnt dan als een levensbeschouwelijke categorie die bestuurlijk niet meetbaar is.

Wanneer voor dezelfde studenten beleid wordt ingericht, is de groep ineens concreet genoeg voor een landelijke studentenrabbijn, pastorale ondersteuning, gemeenschapsvorming en subsidie. De populatie is dus te onbepaald om de gevolgen van antisemitisme meetbaar te maken, maar voldoende bepaald om vertegenwoordigers te selecteren en geld te verdelen.

Dat is definitiemacht. De categorie verschuift met de bestuurlijke behoefte.

Zelfs wanneer veel Joodse studenten behoefte hebben aan religieuze begeleiding, is het niet aan een Nederlandse overheid om die religieuze infrastructuur tot representatief model voor Joodse studenten te verheffen. De overheid hoeft niet te bepalen hoe Joods leven eruitziet. Zij moet ervoor zorgen dat Joden veilig kunnen studeren.

Chanoeka zonder Makkabeeën

Die religieuze inkadering krijgt vervolgens nog een tweede stap. Joods leven wordt vertaald naar een bestuurlijk vocabulaire van verbinding, dialoog, verschillende perspectieven en het tegengaan van polarisatie. Yanki Jacobs presenteert verbinden al jaren als een belangrijke opdracht van zijn rabbinaat. Ook rond universiteiten legt hij sterk de nadruk op luisteren, meerdere perspectieven en dialoog.

Bij Chanoeka wordt zichtbaar hoe ver zo'n vertaling kan gaan. Chanoeka herinnert aan de Makkabese opstand tegen Seleucidische overheersing en religieuze dwang, aan de verdediging van Joodse religieuze autonomie en aan de herinwijding van de Tempel. Het is geen verhaal waarin de Makkabeeën verschillende perspectieven bijeenbrachten om gezamenlijk een inclusieve middenpositie te vinden. Het verhaal gaat juist over een grens, over wat niet onderhandelbaar is en over het moment waarop aanpassing ophoudt en verzet begint.

Natuurlijk kan een hedendaagse rabbijn daar ook een boodschap van verbinding aan ontlenen. Religieuze tradities worden voortdurend opnieuw geïnterpreteerd. Binnen dit dossier is alleen interessant welke interpretatie bestuurlijk het gemakkelijkst past. Autonomie wordt verbinding, conflict wordt dialoog en een geschiedenis van compromisloos verzet kan worden omgebouwd tot een les over verschillende perspectieven.

Zelfs de Makkabeeën worden bestuurlijk hanteerbaar.

Van antisemitisme naar polarisatie

Bij Binyomin Jacobs verschijnt een vergelijkbare verschuiving in een andere context. Na de aanval op een synagoge in Rotterdam sprak hij niet van antisemitisme maar van “polarisatie”. Dat is geen onbetekenend verschil in woordkeuze. Antisemitisme benoemt een vorm van vijandigheid tegen Joden en dwingt daarmee tot vragen over gedrag, daders, bescherming en normstelling. Polarisatie beschrijft een maatschappelijke toestand waarin groepen tegenover elkaar zijn komen te staan.

Polarisatie vraagt om verbinding, dialoog en de-escalatie. Antisemitisme vraagt eerst om de vaststelling dat bepaald gedrag niet wordt geaccepteerd. Het eerste vocabulaire is voor bestuurders aanzienlijk comfortabeler dan het tweede. Daarvoor hoeft geen enkele afstemming tussen Jacobs en Letschert te worden verondersteld. Het is voldoende te constateren hoe goed de taal op elkaar aansluit.

Jodenhaat wordt polarisatie. Verzet wordt verbinding. Zelfs de Makkabeeën krijgen verschillende perspectieven.

De religieuze reductie

Daarmee ontstaat een inhoudelijk probleem. Antisemitisme is geen synoniem voor vijandigheid tegen het jodendom als geloof. Een atheïstische Jood kan slachtoffer van antisemitisme worden. Een seculiere Israëlische student kan als Jood worden geïntimideerd. Antisemitisme functioneert historisch niet alleen via religieuze vijandbeelden, maar ook via etnische, raciale, nationale en complotmatige categorieën.

Wanneer het bestuurlijke antwoord sterk wordt georganiseerd rond rabbijn, pastorale zorg en religieuze gemeenschap, dreigt een probleem dat mensen als Joden treft te worden teruggebracht tot vijandigheid tegen het jodendom. Dat maakt een bedrieglijke symmetrie mogelijk waarin antisemitisme wordt behandeld als equivalent van vijandigheid tegen andere religies en waarin kritiek op religieuze doctrines gemakkelijker kan worden verward met discriminatie van gelovigen.

Dat sluit aan bij bepaalde islamistische en communitaristische discoursen, waaronder ideeën die in en rond de Moslimbroederschap zijn gebruikt, waarin antisemitisme en “islamofobie” als parallelle vormen van religieuze vijandigheid worden behandeld. Daarmee wordt geen ideologische relatie tussen Letschert en de Moslimbroederschap gesuggereerd. Die is voor het argument niet nodig. Het punt is dat een religieuze reductie hetzelfde begrippenkader mogelijk maakt.

De Jood wordt verzorgd

Die manier van denken beïnvloedt ook de beleidsinterventie. Een studentenrabbijn, pastorale zorg, ontmoeting en gemeenschapsvorming kunnen waardevol zijn, maar zij veranderen de verantwoordelijkheid voor antisemitisme niet. Antisemitisme is in de eerste plaats een probleem van degene die antisemitisch handelt en van de instelling die een veilige onderwijsomgeving moet garanderen.

Wanneer het beleid sterk wordt gericht op ondersteuning en weerbaarheid van Joodse studenten, verschuift een deel van de aandacht naar hun vermogen om met een onveilige omgeving om te gaan. Een programma kan daardoor uitstekend functioneren zonder dat er één antisemitisch incident minder plaatsvindt. Er kunnen begeleiders worden aangesteld, bijeenkomsten worden georganiseerd en studenten worden geholpen terwijl de omgeving die al die hulp noodzakelijk maakt onveranderd blijft.

De Jood wordt verzorgd. Het instituut wordt gemanaged. De antisemiet blijft opmerkelijk buiten beeld.

Maastricht: wie bepaalt de procedure?

Ook die bestuursstijl heeft een voorgeschiedenis. Onder Letscherts voorzitterschap van Maastricht University werd de lezing van Rawan Osman na een lawaaiprotest voortijdig beëindigd. Later werd een door IJAR georganiseerde lezing van Shabbos Kestenbaum niet op de campus gefaciliteerd. Haar bredere bestuursverleden rond antisemitisme werd later hard bekritiseerd, onder meer in een reconstructie van De Telegraaf.

Ook toen werd het bestuurlijke antwoord sterk georganiseerd via gesprek, onderzoek en proces. Binyomin Jacobs werd gesprekspartner en sprak vervolgens publiek zijn vertrouwen in Letschert uit. Gesprek is niet het probleem. Het probleem ontstaat wanneer een bestuur dat zelf onderwerp van kritiek is ook bepaalt welke procedure de betrokken partij als legitiem antwoord geacht wordt te accepteren.

In Den Haag keert die reflex terug. Letschert bepaalt niet formeel wie Joodse studenten vertegenwoordigt, maar organiseert wel de tafel. Zij bepaalt niet formeel wie studentenrabbijn is, maar behandelt één rabbijn als landelijk. Zij sluit anderen niet formeel uit, maar kiest een subsidieroute zonder open inschrijving. De procedure oogt neutraal. De toegang ertoe is dat minder.

En dan IJAR

Pas tegen die achtergrond wordt IJAR werkelijk relevant. IJAR bestaat sinds 1976. Het is een studentenorganisatie, geen rabbinaat. Het heeft een landelijk netwerk en internationale verbindingen en organiseert Joodse studenten primair als studenten. Letschert kende de organisatie uit Maastricht. IJAR zat niet alleen aan tafel, maar kon ook tegenover haar bestuur staan.

En uitgerekend IJAR wijst Letschert op 21 april in de Tweede Kamer aan als de studentenorganisatie die om financiële ondersteuning had gevraagd. Wanneer Nanninga vraagt of zij NJSO bedoelt, corrigeert Letschert haar: IJAR. Vier maanden later krijgt IJAR geen landelijke subsidie. NJSO wel.

Dat bewijst niet dat kritiek is bestraft of meegaandheid bewust is beloond. Het laat wel zien welke uitkomst het gekozen systeem produceert. De oudere studentenorganisatie die eerder met Letscherts bestuur botste verdwijnt uit de landelijke subsidieverdeling, terwijl de stichting waarvan haar “landelijke studentenrabbijn” voorzitter is ontvanger wordt.

De deur die er niet was

Een open subsidieprocedure had dat probleem grotendeels kunnen voorkomen. OCW had eenvoudig kunnen zeggen dat het niet bepaalt wie Joodse studenten vertegenwoordigt en evenmin wie studentenrabbijn is. Vervolgens had het een budget, doelstellingen en vooraf kenbare criteria kunnen publiceren.

IJAR had kunnen aanvragen. NJSO had kunnen aanvragen. Stichting Chabad on Campus Nederland had kunnen aanvragen. Andere studentenrabbijnen en lokale initiatieven hadden kunnen beoordelen of hun activiteiten voldeden. JMW had zijn expertise kunnen aanbieden. OCW had vervolgens plannen kunnen beoordelen op kwaliteit, bereik, governance, begroting en verwacht effect, zonder titels, vertrouwdheid of bestaande toegang tot de minister als feitelijke voorsprong te laten werken.

Maar die open procedure was er niet. De Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS verandert daar niets aan. Zij biedt OCW een juridisch instrument om subsidie te verlenen, maar vertelt een organisatie buiten het overleg niet dat er €350.000 beschikbaar is en nodigt haar niet uit een aanvraag in te dienen.

De Kaderregeling verklaart de juridische vorm van de cheque. Zij verklaart niet wie wist dat er een cheque te krijgen was.

Daarmee beïnvloedt de overheid de representatieve verhoudingen binnen een religieus en maatschappelijk veld op een wijze die ernstig tekortschiet in transparantie, procedurele helderheid en gelijke toegang.

Twee rechtspersonen, één centrale figuur

Ook bij de uitvoering blijven de institutionele lijnen dicht bij elkaar. NJSO en Stichting Chabad on Campus Nederland publiceren gezamenlijk een vacature voor landelijke studentenbegeleiding. Het zijn afzonderlijke rechtspersonen, maar Jacobs bevindt zich formeel in beide organisaties: voorzitter bij NJSO en volledig gevolmachtigde bij Stichting Chabad on Campus Nederland.

Uit de beschikbare documenten volgt niet dat subsidiegeld rechtstreeks van NJSO naar Chabad on Campus stroomt. Dat moet dus ook niet worden beweerd. Het samenwerkingsverband staat wel vast, evenals Jacobs' formele positie in beide organisaties. Juist in een niet-open subsidietraject is dat voldoende reden om volledige transparantie te verlangen over governance, besluitvorming en eventuele financiële relaties binnen de uitvoering.

“Dank voor het vertrouwen”

Na de subsidieverlening bedankt Yanki Jacobs OCW “voor het vertrouwen”. Waarschijnlijk is het een beleefdheidsformule. Binnen deze chronologie is het woord niettemin opmerkelijk precies. Het vertrouwen ontstond niet nadat verschillende organisaties in een open procedure onder dezelfde voorwaarden waren beoordeeld. Het was er al.

Jacobs was gesprekspartner van de minister. Letschert maakte van een landelijk actieve studentenrabbijn in haar taal de landelijke studentenrabbijn en vervolgens “onze landelijke studentenrabbijn”. Daarna volgde een gesloten aanvraagroute en kreeg de stichting waarvan Jacobs voorzitter is subsidie. Voor Jacobs levert die verhouding toegang, erkenning en institutionele versterking op. Voor Letschert levert zij een herkenbare Joodse gesprekspartner op die haar beleid vervolgens een “belangrijke stap” kan noemen.

Daarvoor hoeft niemand iets te hebben afgesproken. Dat is juist het ongemakkelijke. Vertrouwdheid kan het werk vanzelf doen.

Misschien was “onze” inderdaad slechts familiair bedoeld. Maar een minister die publiek geld verdeelt behoort geen “onze rabbijn” nodig te hebben. Zij behoort een procedure te hebben.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.