Onder Letschert wordt antisemitisme bestuurbaar. Dat het er ook minder van wordt, lijkt in haar beleid geen aantoonbare voorwaarde voor succes.

Gepubliceerd op 19 augustus 2026 om 23:03
Reconstructie · bestuur · hoger onderwijs

“U geeft aan”

Hoe €350.000 voor Joodse studenten veranderde van een “bottom-upinitiatief” met een aangewezen begunstigde in een gesloten subsidietraject — en hoe Rianne Letschert een structureel probleem bestuurlijk organiseert zonder zichtbaar te maken dat het er ook minder van wordt.

Op 13 april 2026 bereikt het nieuws ook de universiteiten: er komt €350.000 voor Joodse studenten en medewerkers in het hoger onderwijs. Het bedrag is bescheiden, de boodschap groot. Het kabinet gaat iets doen aan de sociale onveiligheid die Joodse studenten op Nederlandse campussen ervaren.

Minister van Onderwijs Rianne Letschert geeft het bedrag meteen een ontstaansgeschiedenis. Een centrale Joodse studentenorganisatie zou zelf om financiële ondersteuning hebben gevraagd. Het initiatief komt dus niet uit Den Haag. Tegen het ANP benadrukt zij dat dit niet iets is wat OCW “top-down” heeft bedacht.

Het frame staat. Studenten ervaren een probleem, organiseren zich en vragen steun. De overheid luistert. Geen Haagse blauwdruk. Geen beleidsmachine. Bottom-up.

Wie heeft het geld? IJAR

Op 21 april noemt Letschert de steun in de Tweede Kamer een “bottom-upinitiatief” dat niet vanuit het ministerie is ontstaan, maar vanuit de Joodse gemeenschap, “in het bijzonder vanuit een Joodse studentenorganisatie”. Vervolgens zegt zij:

“Die hebben nu de middelen ter beschikking en kunnen die ook op die manier gaan inzetten.”

Dat is een mededeling over de status van publiek geld. Niet: er is geld gereserveerd. Niet: organisaties kunnen binnenkort aanvragen indienen. Niet: de selectie moet nog plaatsvinden.

Annabel Nanninga vraagt of Letschert NJSO bedoelt. Letschert corrigeert haar: nee, IJAR. Nanninga noemt NJSO expliciet; Letschert wijst die mogelijkheid af, noemt IJAR en licht haar antwoord toe. IJAR zou samen met andere vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap “bij mij op bezoek” zijn geweest om incidentele subsidie te vragen.

De Kamer krijgt daarmee een vrijwel compleet verhaal. Het initiatief kwam van onderop. IJAR vroeg om geld. IJAR was bij de minister. En de middelen stonden ter beschikking.

Letschert kende IJAR al

IJAR was voor Letschert geen willekeurige naam. Minder dan een jaar eerder was zij voorzitter van het College van Bestuur van Maastricht University. IJAR wilde daar de Joods-Amerikaanse activist Shabbos Kestenbaum laten spreken over antisemitisme op universiteiten. De universiteit faciliteerde die bijeenkomst niet op de campus.

De officiële reden was veiligheid, na eerdere ongeregeldheden rond een andere pro-Israëlische lezing. Universiteitsblad Observant noteerde dat voor de Kestenbaum-bijeenkomst geen concrete aanwijzingen voor ongeregeldheden bestonden. De bijeenkomst moest elders plaatsvinden. IJAR verzette zich publiek tegen die beslissing.

Dat is een andere verhouding tot de macht dan die van de vaste overlegpartners die later in het dossier terugkeren. IJAR was niet alleen gesprekspartner van bestuurders; het was ook een organisatie die door een bestuurlijk besluit rechtstreeks in haar activiteiten werd beperkt.

De kring vóór 21 april

Letschert kende de betrokken spelers bovendien niet alleen uit haar Maastrichtse verleden. In de weken vóór haar uitspraak in de Tweede Kamer sprak zij minstens twee keer formeel met Yanki Jacobs over de positie van Joodse studenten en medewerkers.

Op 16 maart 2026 sprak Letschert samen met de Nationaal Coördinator Antisemitismebestrijding met Jacobs en vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap over hun ervaringen op onderwijsinstellingen. Op 31 maart volgde opnieuw overleg met Jacobs, de NCAB, vertegenwoordigers van universiteiten en hogescholen, het Centraal Joods Overleg en Joodse studenten en medewerkers. Bij een van die bijeenkomsten was volgens de beschikbare informatie ook een student van IJAR aanwezig.

Haar antwoord van 21 april kwam dus niet uit het niets. Het volgde op een overlegtraject met precies de actoren die later in de subsidieconstructie terugkeren.

“Onze studentenrabbijn”

Nog tijdens hetzelfde Kamerantwoord verschijnt naast IJAR een tweede actor: “onze studentenrabbijn”, Jaäcov Joseef — Yanki — Jacobs. Letschert zegt dat zowel vanuit IJAR als door Jacobs activiteiten zijn ontwikkeld en dat moet worden bekeken of die met elkaar kunnen worden uitgewerkt.

Jacobs is voorzitter van de stichting achter NJSO. Precies de organisatie waarvan Nanninga zojuist vroeg of Letschert die bedoelde. Nee, zei Letschert. En precies die stichting zal uiteindelijk wel subsidie ontvangen.

Het geld was er vóór Letschert

Later legt Letschert de financiële oorsprong van de €350.000 vóór haar eigen ministerschap. Joodse studenten en medewerkers hadden haar voorgangers Eppo Bruins en Gouke Moes om financiële ondersteuning gevraagd. Onder Bruins onderzocht OCW of resterende JenV-middelen uit de Nationale Strategie Antisemitismebestrijding konden worden gebruikt. Onder Moes werd dat voortgezet. Uiteindelijk werd €350.000 aan OCW toegewezen.

Letschert erfde dus vooral het geld. Haar eigen bestuurlijke verantwoordelijkheid begon bij de vraag die daarna kwam: wie krijgt het?

Eerst beschikbaar, daarna aanvragen

Op 12 juni schrijft OCW in reactie op een Woo-verzoek dat het subsidieaanvraagproces nog loopt. Er is geen open inschrijving; het ministerie wil het proces “lean and mean” houden. Eind juni worden aanvragen van enkele partijen verwacht.

21 april: middelen ter beschikking.
12 juni: aanvraagproces loopt.
Eind juni: aanvragen worden pas verwacht.

Wat op 21 april precies ter beschikking stond, is daarmee een bestuurlijk probleem, geen semantisch detail.

“U geeft aan”

Op 1 juli leggen ambtenaren Letschert een beslisnota voor over de beantwoording van Kamervragen van Mona Keijzer. De toon is sober, dienstbaar, vrijwel geurloos. Juist daarom vallen de woorden op:

“U geeft aan dat het proces van subsidieaanvragen momenteel loopt…”

De nota maakt een helder onderscheid. Het geld is beschikbaar gesteld. Bij de aanpak van de verdeling heeft OCW zowel NCAB als vertegenwoordigende Joodse organisaties betrokken. Maar de aanvragen lopen nog en de definitieve besluitvorming moet nog plaatsvinden.

Op 8 juli wordt het verschil nog scherper: er bestaat volgens Letschert nog geen subsidiebesluit. Er is slechts een reservering.

21 april: middelen ter beschikking.
1 juli: aanvragen lopen.
8 juli: geen subsidiebesluit.

Die mededelingen beschrijven niet dezelfde bestuurlijke status van het geld. De tegenstrijdigheid ligt bij de minister.

De Kaderregeling beantwoordt een andere vraag

Letschert verwijst naar de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS. Die verwijzing beantwoordt vooral langs welk juridisch instrument OCW een projectsubsidie kan verstrekken.

De politiek relevante kwestie ligt elders: wie bepaalde welke organisaties konden aanvragen, wanneer gebeurde dat, welke criteria golden, waarom was er geen open inschrijving en hoe werd de doelmatigheid vastgesteld?

Rechtmatigheid is meer dan de aanwezigheid van een juridische grondslag. Behoorlijk financieel bestuur vraagt ook om controleerbaarheid en doelmatige besteding.

IJAR krijgt niets

Op 13 augustus worden de ontvangers bekendgemaakt: NJSO en Joods Maatschappelijk Werk. IJAR krijgt niets.

Daarmee krijgt het gesprek van 21 april achteraf een bijna absurdistische kwaliteit. NJSO? Nee, IJAR. Vier maanden later krijgt NJSO subsidie en IJAR niet.

Volgens het bestuur van IJAR werd de organisatie na het Kamerdebat door OCW gebeld met de mededeling dat zij ook voor de subsidie in aanmerking kon komen. Daarna hoorde IJAR naar eigen zeggen niets meer. De minister had de Kamer verteld dat IJAR bij haar om subsidie was komen vragen. Haar ministerie vertelde IJAR vervolgens dat IJAR voor die subsidie in aanmerking kon komen. Uiteindelijk kreeg IJAR niets.

Helemaal buiten beeld lijkt IJAR ondertussen niet te zijn. Binnen IJAR bestaat de indruk dat voor lokale initiatieven mogelijk alsnog financiële ondersteuning kan worden verkregen, waarbij Yanki Jacobs een rol zou spelen. Daarvan staat vooralsnog niets formeel vast: geen gepubliceerde regeling, geen bekendgemaakt budget en geen transparante procedure.

Een harde uitsluiting wordt zo vervangen door een zachte mogelijkheid. Geen structurele aanspraak, maar een project. Geen open regeling, maar een geselecteerde route. Geen helder recht, maar de mogelijkheid dat er ergens iets kan worden georganiseerd.

Een oude studentenvereniging en een nieuwe stichting

Ook de institutionele geschiedenis verdient aandacht. IJAR — Dutch Union of Jewish Students — bestaat sinds 1976, heeft een landelijk netwerk en is internationaal verbonden met de European Union of Jewish Students en de World Union of Jewish Students. Het is geen ad-hocorganisatie, maar een vereniging met een halve eeuw geschiedenis.

Daartegenover staat de Stichting ter Bevordering Nationaal Joods Studenten Overleg, de rechtspersoon achter NJSO. Uit het Handelsregister blijkt dat deze stichting pas op 3 december 2024 is opgericht.

Het contrast staat: een organisatie met een landelijke studentenstructuur sinds 1976 wordt door Letschert in april als initiatiefnemer aangewezen maar krijgt uiteindelijk niets; een stichting die pas sinds december 2024 bestaat, wordt in augustus een van de twee formele subsidieontvangers.

Dezelfde kring

De subsidie aan NJSO loopt via een stichting waarvan het formele bestuur bestaat uit Yanki Jacobs, Bart Wallet en Gideon Simon. De statuten onderscheiden daarnaast een afzonderlijk studentenplatform.

Bart Wallet is secretaris van die subsidieontvanger én lid van de Adviesraad van NCAB. OCW vermeldt dat NCAB betrokken was bij de aanpak van de verdeling.

OCW betrekt NCAB bij de aanpak van de verdeling. Wallet adviseert NCAB. Wallet bestuurt een organisatie die uit die verdeling subsidie ontvangt.

Wallet is bovendien sinds 2007 verbonden aan Crescas als docent Joodse geschiedenis. Crescas verschijnt vervolgens als samenwerkingspartner in het door JMW uitgevoerde subsidieprogramma en werkt voor bestuur en operationele uitvoering samen met JMW.

De uiteindelijke uitvoering komt daarmee terecht in een reeds bestaand institutioneel ecosysteem. In een niet-open subsidieroute krijgt zo'n verwevenheid vanzelf bestuurlijke betekenis. De constellatie staat.

Een comfortabele gesprekspartner

Jacobs zat al vóór de oprichting van NJSO aan tafel met ministers, NCAB en universiteitsbestuurders. Hij was daar geen buitenstaander die het bestuurlijke model fundamenteel ter discussie stelde, maar een terugkerende gesprekspartner binnen dat model.

Jacobs was voor universiteitsbestuurders een comfortabele gesprekspartner: iemand die de ernst van antisemitisme kon benoemen, maar tegelijkertijd binnen het bestuurlijke overleg bleef opereren.

De ernst van antisemitisme kon via hem worden erkend zonder dat daarmee automatisch het functioneren van die bestuurders zelf ter discussie kwam te staan. Er kon worden gesproken, geluisterd en samengewerkt.

Jacobs bleef aan tafel. En de bestuurders konden aan tafel blijven zitten.

Onder Letschert krijgt juist deze comfortabele vorm van vertegenwoordiging een institutionele positie. Jacobs is studentenrabbijn en vaste gesprekspartner, voorzitter van de nieuwe NJSO-stichting en spil rond Chabad. NJSO krijgt subsidie. Chabad verschijnt in de uitvoering. En na de toekenning bedankt Jacobs OCW voor “het vertrouwen”.

De status quo krijgt een programma, een budget en een dankwoord.

En dan verschijnt Chabad

Rond de subsidiebekendmaking publiceren NJSO en Chabad on Campus Nederland gezamenlijk een vacature voor een landelijke studentenbegeleider Joodse Studenten. Het gaat om betaald werk: een passend salaris plus vergoeding van reis- en activiteitenkosten. De functie moet studenten ontmoeten, lokale netwerken opbouwen, universiteiten en hogescholen bezoeken en activiteiten organiseren.

De sollicitaties lopen via Yanki Jacobs. Chabad wordt in de formele subsidiebekendmaking niet als ontvanger genoemd, maar staat rond die bekendmaking wel naast NJSO bij de opbouw van betaalde landelijke studentenbegeleiding.

Dat schuurt met Letscherts legitimatie op 21 april, toen zij verwees naar activiteiten van IJAR en “onze studentenrabbijn” die tot dan toe om niet waren ontwikkeld. Rond de uiteindelijke subsidie ontstaat een geprofessionaliseerde uitvoeringsstructuur met betaalde functies en meerdere reeds verbonden organisaties.

Van subsidie naar erkenning

Na de bekendmaking noemt Jacobs de subsidie publiekelijk een “belangrijke stap voor Joodse studenten”. Als een van de initiatiefnemers van NJSO is hij blij met “deze erkenning” en met de mogelijkheden die dit biedt. Hij bedankt OCW “voor het vertrouwen”.

Publiek geld verandert daarmee onmiddellijk in politieke symboliek. Een subsidie wordt erkenning. Een beschikking wordt vertrouwen. Voor Letschert werkt dezelfde communicatie de andere kant op: de ontvangers bevestigen publiek de betekenis van een maatregel die zij als minister kan presenteren als antwoord op de onveiligheid van Joodse studenten.

Het geld en de tafel

Letschert erfde uiteindelijk twee dingen van haar voorgangers: het geld en de tafel.

Het geld was onder Bruins en Moes gevonden. De tafel was al onder Dijkgraaf gedekt. Rond antisemitisme in het hoger onderwijs was inmiddels een bestuurlijk circuit ontstaan waarin ministers, universiteitsbestuurders, NCAB, studentenrabbijn Yanki Jacobs en vertegenwoordigers van Joodse organisaties elkaar met regelmaat ontmoetten.

Antisemitisme werd besproken, geagendeerd en bestuurlijk omringd. Er waren bijeenkomsten, gesprekken, lunches en fotomomenten. De aanwezigheid van het gesprek werd geleidelijk zelf onderdeel van het bewijs dat de overheid handelde.

Letschert neemt dat model over en brengt uiteindelijk geld en tafel bij elkaar. De gesprekspartners worden uitvoerders. Het overleg krijgt een programma. Het programma krijgt subsidie.

Maar IJAR past minder gemakkelijk in dat comfortabele model. IJAR zat wel aan tafel, maar had in Maastricht ook aantoonbaar last van het bestuur waarvan Letschert voorzitter was. De organisatie die met het bestuur botste, verdwijnt uit de landelijke verdeling. De organisatie die comfortabel binnen het bestuurlijke overleg functioneert, wordt onderdeel van de nieuwe infrastructuur.

Letscherts systeem blijkt buitengewoon goed in het organiseren van Joodse vertegenwoordiging rond de macht. IJAR laat zien wat er gebeurt wanneer die vertegenwoordiging tegenover de macht komt te staan.

De grote woorden, het kleine bedrag

En dan het bedrag zelf. €350.000 voor twee studiejaren. Gemiddeld €175.000 per jaar. Volgens JMW richt het programma zich op studenten en medewerkers van 36 hogescholen en 14 universiteiten: vijftig instellingen.

€175.000 per jaar is niet niets. Maar de overheid definieert antisemitisme en de sociale onveiligheid van Joodse studenten als een ernstig en structureel landelijk probleem. Dan hoort bij de interventie een even serieuze vraag naar doelmatigheid: welke concrete verbetering moet dit bedrag opleveren, hoeveel mensen worden bereikt en welke uitkomst maakt het beleid na twee jaar geslaagd?

De schaal van de politieke belofte en de schaal van het instrument liggen niet vanzelfsprekend in elkaars verlengde.

De politiek van nabijheid

Vrijwel iedere betrokken organisatie bevindt zich in een verhouding tot de overheid waarin nabijheid iets kan opleveren. NJSO krijgt subsidie. JMW krijgt subsidie. Crescas krijgt een rol in de uitvoering. Chabad verschijnt naast NJSO. IJAR houdt uitzicht op mogelijke lokale ondersteuning. Jacobs beweegt tussen studentenpastoraat, NJSO, Chabad en overleg met ministers en universiteitsbestuurders. Wallet beweegt tussen NJSO, NCAB en Crescas.

De grens tussen belangenbehartiger, adviseur, gesprekspartner en uitvoerder wordt daardoor opvallend dun.

Toegang, erkenning, geld en bestuurlijke nabijheid worden schaarse goederen. Wie aan tafel zit, kan iets bereiken. Wie als betrouwbare gesprekspartner wordt gezien, blijft aan tafel.

Een organisatie die tegenover de macht behoort te kunnen staan, kan er geleidelijk naast komen te zitten. Kritiek wordt overleg. Onafhankelijkheid wordt partnerschap. Een politieke eis wordt een projectvoorstel. Een recht waarop de overheid kan worden aangesproken, verandert in een voorziening waarvoor dankbaarheid kan ontstaan.

Een systeem waarin toegang tot de overheid, financiering en erkenning via dezelfde kleine bestuurlijke kring lopen, maakt bescheidenheid rationeel.

De normalisering

Daarmee ontstaat een nog ongemakkelijker effect. De bestaande situatie wordt niet alleen beheersbaar gemaakt. Zij kan ook worden genormaliseerd.

Joodse studenten krijgen begeleiding om zich binnen die situatie staande te houden. Er komen ontmoetingen, scholing, lokale activiteiten en betaalde ondersteuning. De betrokken organisaties krijgen middelen om die infrastructuur uit te bouwen. En wanneer die middelen beschikbaar komen, wordt gesproken over een “belangrijke stap”, “erkenning” en “vertrouwen”.

Zo kan vooruitgang worden geconstateerd zonder dat eerst vooruitgang tegen antisemitisme hoeft te worden aangetoond.

De overheid financiert organisaties. De organisaties verwelkomen de financiering als vooruitgang. Hun positieve reactie bevestigt vervolgens de betekenis van het overheidsbeleid. En het bestaan van dat beleid wordt bewijs dat de overheid antisemitisme serieus neemt.

Alleen de afname van antisemitisme zelf is voor die cirkel niet noodzakelijk.

Het programma kan groeien, professionaliseren en als succes worden gepresenteerd terwijl de omstandigheden die die groei noodzakelijk maken onveranderd blijven.

Dat is geen oplossing voor antisemitisme. Het is een steeds professionelere manier om ermee te leven.

Bestuurbaar antisemitisme

Daarmee wordt zichtbaar wat in dit dossier werkelijk wordt geproduceerd. Niet aantoonbaar minder antisemitisme, maar bestuurlijke beheersbaarheid.

Er zijn gesprekken, bijeenkomsten, lunches, fotomomenten, regelingen, functies, samenwerkingsverbanden en subsidies. De aanwezigheid van het gesprek wordt zelf onderdeel van het bewijs dat er beleid is.

Er wordt gesproken. Er wordt ontvangen. Er wordt geluncht. Er zijn fotomomenten. Er wordt subsidie verstrekt.

Wat veel minder zichtbaar is, is de enige uitkomst die er politiek werkelijk toe zou moeten doen: neemt de Jodenhaat af?

In de gepresenteerde aanpak ontbreken heldere, meetbare doelstellingen in termen van minder antisemitische incidenten, minder intimidatie, minder uitsluiting of aantoonbaar veiliger onderwijs.

Onder Letschert wordt antisemitisme bestuurbaar. Dat het er ook minder van wordt, lijkt in haar beleid geen aantoonbare voorwaarde voor succes.

“U geeft aan”

Op 1 juli schrijven Letscherts ambtenaren woorden die onbedoeld als titel boven het hele dossier kunnen staan:

“U geeft aan.”

Letschert heeft veel aangegeven. Dat het initiatief van onderop kwam. Dat het niet vanuit haar ministerie was ontstaan. Dat een centrale studentenorganisatie om geld had gevraagd. Dat die organisatie IJAR was. Dat de middelen ter beschikking stonden.

Later gaf zij aan dat de aanvragen nog liepen. Dat definitieve besluitvorming nog moest volgen. Dat er nog geen subsidiebesluit was, slechts een reservering. Uiteindelijk gaf haar ministerie aan dat NJSO en JMW het geld kregen.

Of Letschert wist op 21 april al voor welke concrete partij of partijen de €350.000 feitelijk bestemd was. Dan moet zij uitleggen welke werkelijk selecterende functie de latere aanvraagprocedure nog had.

Of die bestemming stond op 21 april nog niet vast. Dan gaf zij de Tweede Kamer een veel definitiever beeld dan de bestuurlijke werkelijkheid op dat moment toeliet.

Daarbovenop ligt de fundamentelere vraag. Als €350.000 voor twee jaar het zichtbare antwoord is op een probleem dat de regering zelf als ernstig en landelijk kwalificeert, waar is dan de visie die verklaart hoe dit bedrag, deze organisaties en deze activiteiten het probleem daadwerkelijk gaan verkleinen?

Veel procedure kan een gebrek aan visie lang aan het oog onttrekken. Maar niet onbeperkt.

Voor de overheid is er beleid.

Voor de organisaties is er geld, toegang, erkenning of perspectief.

Voor de minister is er draagvlak.

Voor Joodse studenten is er ondersteuning.

En voor de Jodenhaat zelf is nog altijd niet duidelijk wat er verandert.

Well played.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.