Politiek - door Consigliere

Gepubliceerd op 15 augustus 2026 om 00:34

€350.000 voor Joodse studenten: heeft minister Letschert de Tweede Kamer wel correct geïnformeerd?

De subsidie voor sociale veiligheid is hard nodig. Maar de chronologie van april, juli en augustus roept vragen op over de selectie van de ontvangers én over de informatie die de Tweede Kamer kreeg.

Dat het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW) geld beschikbaar stelt voor de sociale veiligheid van Joodse en Israëlische studenten en medewerkers is hard nodig. Daar zit voor mij het probleem niet. Integendeel.

Maar de manier waarop minister Rianne Letschert (D66) de Tweede Kamer over deze €350.000 heeft geïnformeerd en de manier waarop de uiteindelijke subsidieontvangers zijn geselecteerd, roepen inmiddels zoveel vragen op dat nadere uitleg noodzakelijk is.

In april was het volgens de minister expliciet niet het NJSO

Tijdens het antisemitismedebat van 21 april vroeg Kamerlid Annabel Nanninga (JA21) de minister expliciet of zij met de betreffende Joodse studentenorganisatie het NJSO bedoelde. Het antwoord van Letschert was duidelijk:

“Nee, het gaat om IJAR.”

Zij vertelde vervolgens dat IJAR samen met meerdere vertegenwoordigers van de Joodse gemeenschap bij haar op bezoek was geweest met het verzoek om een incidentele subsidie. Ook sprak zij over activiteiten vanuit IJAR en rond “onze studentenrabbijn”.

Daarmee wordt rabbijn Yanki Jacobs bedoeld, die samen met zijn gezin vanuit Chabad on Campus Nederland actief is onder Joodse studenten. Chabad on Campus Nederland is verbonden aan Chabad-Lubavitch, een chassidische stroming binnen het jodendom.

Dat detail is relevant, omdat Jacobs en Chabad on Campus Nederland ook zichtbaar verbonden zijn met activiteiten die onder de naam NJSO worden gepresenteerd. Daarmee wordt de vraag naar de precieze organisatorische en juridische verhouding tussen Chabad on Campus Nederland, de zelfbenoemde studentenrabbijn en het NJSO belangrijker, zeker nu juist het NJSO als subsidieontvanger wordt genoemd.

Letschert vertelde in april bovendien dat activiteiten al gedeeltelijk waren ontwikkeld en dat OCW die wilde ondersteunen. Eerder in hetzelfde debat zei de minister over het betreffende Joodse studenteninitiatief zelfs:

“Die hebben nu de middelen ter beschikking.”

Dat is nogal concrete informatie. De Kamer hoorde niet alleen welke organisatie volgens de minister betrokken was, maar ook dat er al activiteiten waren ontwikkeld en dat daarvoor middelen beschikbaar waren.

In juli blijkt de subsidieprocedure ineens nog te lopen

Juist daarom zijn de schriftelijke antwoorden die Letschert op 8 juli aan Kamerlid Mona Keijzer gaf zo opvallend. Keijzer had op 18 juni vijftien concrete vragen gesteld.

Zij wilde onder meer weten welke studentenorganisatie om financiële middelen had gevraagd, wanneer dat verzoek was gedaan, welk plan eraan ten grondslag lag, wie de juridische ontvanger zou worden, hoe de representativiteit was beoordeeld en of andere Joodse studentenorganisaties eveneens voor de subsidie in aanmerking konden komen.

Letschert antwoordde daarop dat het proces van subsidieaanvragen op dat moment nog liep. Daarom wilde het ministerie volgens haar nog niet bekendmaken wie een aanvraag had ingediend, wanneer die was ingediend, welke partijen daarbij betrokken waren, welke activiteiten werden voorgesteld, welk bedrag aan wie zou worden toegekend en welke criteria OCW gebruikte.

Uit een bij de beantwoording openbaar gemaakte interne OCW-nota blijkt eveneens dat de minister werd geadviseerd te antwoorden dat de subsidieaanvragen nog liepen.

En daar ontstaat een wezenlijk probleem in de tijdlijn. Want hoe verhoudt die uitleg zich tot hetgeen Letschert op 21 april al tegenover de Kamer had verklaard?

In april was er volgens haar een concrete organisatie, IJAR, die samen met anderen om subsidie had gevraagd. Er waren activiteiten ontwikkeld, die wilde zij ondersteunen en ze sprak zelfs over middelen die al ter beschikking stonden.

In juli kon informatie over de aanvrager, het verzoek en de activiteiten vervolgens niet worden gegeven omdat de subsidieprocedure nog liep.

Die twee lezingen sluiten niet vanzelfsprekend op elkaar aan.

En in augustus gaat het geld ineens naar NJSO en JMW

Dan volgt op 13 augustus de definitieve bekendmaking van OCW. De volledige €350.000 wordt voor een periode van twee jaar verleend aan het Nationaal Joods Studenten Overleg (NJSO) en Joods Maatschappelijk Werk (JMW).

Daarmee worden onder meer een digitale hulpverleningstool, gemeenschapsactiviteiten, begeleiding en een educatieprogramma over Joods leven en Joodse cultuur gefinancierd.

IJAR, de organisatie die Letschert in april nog expliciet tegenover het NJSO plaatste, wordt in die bekendmaking niet meer genoemd. JMW, dat in haar uitleg aan de Kamer in april niet als ontvanger naar voren kwam, is er juist bij gekomen.

Wat is er tussen april en augustus precies gebeurd?

Hoe komen we van “nee, het gaat om IJAR” in april, via een volgens de minister nog lopende subsidieprocedure in juli, naar een subsidiebesluit voor het NJSO en JMW in augustus?

Wanneer en waarom is IJAR uit beeld verdwenen? Wanneer kwam JMW in beeld? Wie heeft uiteindelijk welke subsidieaanvraag ingediend? Is het plan waarop in april werd gedoeld hetzelfde plan dat uiteindelijk is gehonoreerd, of is er later een andere aanvraag gekomen? En wanneer zijn de uiteindelijke selectiecriteria vastgesteld en toegepast?

Dr. Amanda Kluveld stelde hierover eerder al kritische vragen. Die vragen zijn met de bekendmaking van 13 augustus bepaald niet minder relevant geworden.

Wie ontvangt het geld juridisch, wat is het NJSO precies en wie mocht eigenlijk meedoen?

Kluveld wees daarnaast op de juridische positie van het NJSO en stelde dat het NJSO geen zelfstandige rechtspersoon is. Als dat klopt, is een heel concrete vraag gerechtvaardigd:

Aan welke rechtspersoon is het voor het NJSO bestemde subsidiegeld juridisch verleend?

Die vraag wordt extra relevant door de zichtbare verwevenheid tussen het NJSO, rabbijn Yanki Jacobs en Chabad on Campus. Jacobs is studentenrabbijn vanuit Chabad on Campus, terwijl activiteiten en communicatie richting studenten tegelijkertijd onder de naam NJSO plaatsvinden.

Dat hoeft op zichzelf niets onoorbaars te betekenen, maar juist bij publieke financiering moet helder zijn hoe die organisaties zich juridisch, bestuurlijk en financieel tot elkaar verhouden.

Vragen die om een concreet antwoord vragen:

Is het NJSO een zelfstandig bestuurd studentenplatform?
Wie vormt dat bestuur?
Wie kan namens het NJSO overeenkomsten aangaan?
Wie ontvangt daadwerkelijk het subsidiegeld?
Via welke rechtspersoon loopt dat geld?
Wie beheert het?
En wie legt daarover verantwoording af aan OCW?

Als activiteiten van het NJSO juridisch of financieel via Chabad on Campus of een andere rechtspersoon lopen, hoort dat gewoon transparant te zijn. Zeker wanneer de overheid het NJSO publiekelijk presenteert als een van de twee ontvangers van €350.000 subsidie.

Daarbij speelt ook de vraag naar representativiteit. Chabad on Campus verricht veel activiteiten voor Joodse studenten, maar Chabad-Lubavitch vertegenwoordigt een specifieke chassidische traditie binnen het jodendom.

De Nederlandse Joodse studentenpopulatie is veel breder en bestaat uit studenten met uiteenlopende religieuze, culturele en politieke achtergronden. Juist daarom moet inzichtelijk zijn op welke grond OCW heeft bepaald welke organisaties namens die brede doelgroep konden optreden.

Hoe konden andere Joodse organisaties meedoen?

Minstens zo belangrijk is de vraag hoe andere Joodse organisaties überhaupt voor deze subsidie in aanmerking hadden kunnen komen.

Keijzer vroeg Letschert expliciet of zij bereid was een tender of een andere transparante subsidieprocedure in te richten waarop alle geïnteresseerde Joodse studentenorganisaties konden reageren. De minister antwoordde daarop nee.

Maar hoe zijn Joodse organisaties dan geïnformeerd over de mogelijkheid om aanspraak te maken op deze middelen? Was er een openbare oproep? Wie is door OCW benaderd? Welke organisaties hebben daadwerkelijk een voorstel kunnen indienen?

Welke organisaties zijn betrokken bij het bepalen van de verdelingswijze? En op basis van welke criteria is vastgesteld dat juist de uiteindelijke ontvangers representatief waren voor Joodse studenten en medewerkers in het Nederlandse hoger onderwijs?

Dat is geen theoretische discussie. Er zijn meerdere Joodse organisaties en initiatieven die zich bezighouden met Joodse of Israëlische studenten en sociale veiligheid.

Zonder openbare inschrijving is het gerechtvaardigd te vragen hoe partijen die niet rechtstreeks door OCW zijn benaderd überhaupt hadden kunnen meedingen.

Het betekent bovendien dat er straks met publiek geld activiteiten worden georganiseerd voor een veel bredere Joodse studentenpopulatie. Dan mag duidelijk zijn wie namens die doelgroep spreekt, hoe representativiteit is vastgesteld en waarom andere organisaties niet dezelfde mogelijkheid hebben gekregen om voorstellen in te dienen.

Dit gaat uiteindelijk over de informatieplicht van een minister

Voor alle duidelijkheid: ondersteuning van de sociale veiligheid van Joodse én Israëlische studenten en medewerkers staat hier voor mij niet ter discussie. Wie ziet wat er sinds 7 oktober op Nederlandse universiteiten is gebeurd, weet waarom financiële ondersteuning nodig is.

Het gaat om de manier waarop €350.000 publiek geld wordt verdeeld én om iets fundamentelers:

Heeft de minister de Tweede Kamer op ieder moment correct en volledig geïnformeerd?

De chronologie roept daar serieuze vragen over op.

21 april 2026

Letschert noemt IJAR, een verzoek om subsidie, reeds ontwikkelde activiteiten, de studentenrabbijn en middelen die beschikbaar zouden zijn.

8 juli 2026

De minister antwoordt dat de subsidieaanvragen nog lopen en dat informatie over aanvragers, activiteiten, ontvangers en criteria daarom nog niet kan worden gedeeld.

13 augustus 2026

OCW maakt bekend dat de subsidie terechtkomt bij NJSO en JMW. IJAR wordt niet genoemd.

Daar komt nu bovendien de vraag bij wat het NJSO juridisch en organisatorisch precies is, welke rol Chabad on Campus Nederland en de zelfbenoemde studentenrabbijn Yanki Jacobs daarin spelen en via welke rechtspersoon het subsidiegeld daadwerkelijk loopt.

Misschien bestaat voor iedere stap een goede verklaring. Misschien is de opzet tussentijds gewijzigd, zijn andere partijen later aangesloten of is er een verschil tussen de initiële gesprekken en de formele subsidieaanvraag.

Maar juist dát moet dan worden uitgelegd.

OCW zou daarom volledige openheid moeten geven over de chronologie: wie heeft wanneer het initiatief genomen, welke organisaties waren op welk moment betrokken, welke aanvragen zijn uiteindelijk ingediend, via welke rechtspersoon of rechtspersonen loopt de subsidie, wat is de formele positie van het NJSO, hoe verhoudt die organisatie zich tot Chabad on Campus Nederland en de studentenrabbijn, hoe zijn de ontvangers geselecteerd, welke criteria zijn daarvoor gebruikt en hoe zijn andere Joodse organisaties over deze mogelijkheid geïnformeerd?

En bovenal hoort de Tweede Kamer vast te stellen hoe de schriftelijke antwoorden van minister Letschert van 8 juli zich verhouden tot haar eigen uitspraken tijdens het debat van 21 april.

Want een minister moet niet alleen zorgvuldig omgaan met publiek geld. De Kamer moet erop kunnen vertrouwen dat de informatie die zij van een minister krijgt klopt.

Reactie plaatsen

Reacties

Er zijn geen reacties geplaatst.