Soms kan het gebeuren dat de omslag van een boek al direct vragen oproept. Zo’n boek dat dit doet is “Israël?” van Hans van Oort. Waarom dat vraagteken achter Israël? Is daar de toon wellicht al mee gezet? Bij het lezen van de achterkaft worden de vragen er niet minder op: “in het Nieuwe Testament en andere Joodse geschriften zou de staat Israël al zijn verkondigd...” Eén woordje: “Zou”. Woorden, woordjes, ze dóen er toe.
Het vraagteken op de voorkaft wordt een duidelijk uitroepteken op de achterkaft als daar staat: “Hij [Van Oort, DV] laat zien dat deze documenten [de 27 boeken die samen het Nieuwe Testament vormen, DV], die alle geschreven zijn door joodse auteurs, in het voetspoor van de Joodse Jezus een aardse staat Israël afwijzen.” Wat moet er dan wel op die kleine 200 pagina’s tussen voor- en achterkant geschreven zijn om dat vraagteken een uitroepteken te laten worden? Dat maakt toch wel nieuwsgierig. Maar het doet ook vermoeden…
Dit boek, zo schrijft Van Oort in zijn inleiding, is uit nood geboren. Daarbij doelend op 7 oktober 2023. Daar heeft hij vragen over. Dat mag, maar waarom zonder zelfs de naam Hamas ook maar één keer te noemen of de door deze terreurorganisatie begane misdaden tegen de inwoners van de staat Israël?
In tegenstelling daarmee benoemt Van Oort in zijn inleiding wel meerdere keren uitdrukkelijk de ‘wandaden’ van Israël: er wordt met geweld geregeerd (pag. 11); de huidige staat Israël zoals die zich gedraagt (pag. 13); de vele misdaden die de tegenwoordige staat Israël begaat (pag. 14); wat er aan gruwelijkheden plaatsvindt (pag. 14); het zich identificeren met de daden van het huidige Israëlische bewind (pag. 15); de herhaalde gruwelijkheden die Israël zich denkt te kunnen veroorloven (pag. 15); de daarop volgende gewelddadige uitbreidingen [door Israël, DV] (pag. 16). In het laatste geval worden wel in verband hiermee de gewelddadige aanvallen op de staat (met de jaartallen erachter) genoemd. Mooi, maar dan toch weer heel vreemd dat er bij het jaartal 2023 een vraagteken geplaatst wordt. Wil de schrijver hier impliciet iets mee uitdrukken?
Een organisatie als Christenen voor Israël wordt door Van Oort beschuldigd dat zij christenen die niet achter Israël staan in diskrediet brengt, waarna hij vervolgens zelf precies zo handelt door te beweren dat wie Israëls wandaden niet veroordeelt (welke?, en wie beweert dat echte wandaden niet veroordeeld worden door de achterban van CvI?) actief medeplichtig en verantwoordelijk wordt voor wat heden aan gruwelijkheden plaatsvindt (pag. 14).
De bewering dat het opnieuw stichten van een Joodse staat na zijn ondergang in het jaar 70 in de Nieuw Testamentische boeken afgewezen wordt (pag. 12) lijkt me meer een anachronisme dan een steekhoudend argument, omdat veel, zo niet de meeste van de 27 ‘documenten’ zoal Van Oort ze ook wel noemt, van vóór het jaar 70 zijn (zie bv. Jonathan Bernier, Rethinking the Dates of the New Testament: The Evidence for Early Composition). Het is op zijn minst een niet heel erg sterk argument.
Wel de unieke en blijvende plaats van het Joodse volk erkennen, maar daarnaast de rechtmatigheid van het bestaan van een staat Israël ontkennen (pag. 13) klinkt misschien aardig maar is in feite het op een gekunstelde manier zaken uit elkaar trekken die onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Immers, wel een volk erkennen maar het vervolgens geen land gunnen (want dat is het logische gevolg van een volk geen staat gunnen) om in te wonen is wel een heel vreemde gedachtegang. Bovendien negeer je dan het al 2000 jaar bestaande verlangen van Joden om terug te keren naar Zion, naar Israël/Jeruzalem. Een verlangen dat al 2000 jaar bij elke sedermaaltijd klinkt.
Het Joodse volk mag er dus wel zijn, maar dan alleen ‘in de verstrooiing’ of iets dergelijks. Dat neigt toch wel heel sterk naar antizionisme. Als het al geen antizionisme ís. Dat wordt nog eens versterkt door de op pag. 13 in beton gegoten conclusie: “Géén staat Israël dus.”
Wie de geschiedenis ook maar een klein beetje kent, wéét dat de grens tussen antizionisme en antisemitisme flinterdun en fluïde is. Zover hoef je daar overigens niet eens voor terug in de geschiedenis. Kijk gewoon om je heen en constateer wat er vandaag gebeurt.
Ronduit stuitend, maar op zijn minst aanmatigend, is het altijd weer wanneer een niet-Jood meent Israël moeten te definiëren (pag. 14). Alsof Joden daar zelf niet toe in staat zouden zijn. Kunnen ze daarin eindelijk eens met rust gelaten worden en kan het respect opgebracht worden ze dat zelf te laten definiëren misschien?
Het cynische bij zo’n definitie door niet-Joden is bovendien dat die meestal versmald wordt omdat dit op de een of andere manier beter uitkomt: “het ware of ‘geestelijke’ Israël en het natuurlijke of ‘vleselijke’ en daarmee niet-eigenlijke Israël” (Pag. 14), maar dat bij de vervolging van Joden altijd een zo breed mogelijke definitie gehanteerd wordt om er zoveel mogelijk te grazen te kunnen nemen, zo leert ons opnieuw de geschiedenis. Met als ultiem resultaat wel de Shoah.
Het in de schoenen van Israël schuiven van het Palestijnse vluchtelingenprobleem (pag. 16) is jongleren met de feiten. Dit ‘probleem’ op deze manier benoemen en ondertussen gemakshalve de 800.000 tot 900.000 Joodse vluchtelingen uit de Arabische wereld en Iran ‘vergeten’ te benoemen, geeft de onevenwichtigheid van Van Oorts kijk op de geschiedenis aan. Het vervolgens ook nog eens verhogen van het aantal Palestijnse vluchtelingen naar 5,6 miljoen, zonder daarbij te benoemen dat dit getal alleen tot stand is gekomen doordat de VN voor de Palestijnen een andere definitie hanteert dan voor alle andere vluchtelingen wereldwijd, maakt het er niet beter op. Is het te veel gezegd om te concluderen dat hier sprake is van het ook door de mainstream media zo graag en veelvuldig gehanteerde principe ‘lying by omission’? Vooral daar waar het de berichtgeving over het Midden-Oostenconflict betreft?
Wat verder opvalt is het slordige (of bewuste?) gebruik van landaanduidingen. Is er op pag. 11 nog sprake van “Israël, Palestina, Gaza of Libanon”, op pag. 16 schrijft Van Oort “het Joodse volk Israël in het Palestina van nu”. Binnen het huidige wereldwijd heersende anti-Israëlklimaat roept dit toch wel heel nare associaties op met de leus “from the river to the sea…”.
Al met al zorgt het lezen/analyseren van alleen al de inleiding van dit boek voor het gevoel meer met een anti-Israël pamflet te doen te hebben dan met een inleiding van een gedegen boek. De hamvraag (om het maar eens niet-koosjer uit te drukken) die na het lezen van deze inleiding blijft hangen is: waarom meent een christen-theoloog de nodige liters theologische olie op het anti-Israël vuur te moeten gooien? Een vuur dat de Joodse staat Israël omringt, belaagt en bedreigt in zijn bestaan. Zonder dit boek en het mogelijke effect hiervan heeft Israël op dit ogenblik immers op al meer dan voldoende fronten strijd te voeren. Zowel letterlijk als figuurlijk. Daar hoeft niet nog een theologisch front bij te komen.
Dirk Verschoor (secretaris plaatselijke Israëlwerkgroep Hervormde gemeente Barneveld, lid classicale commissie Kerk en Israël binnen de PKN) schreef deze bijdrage uitsluitend op persoonlijke titel. Hij besprak: Hans van Oort, Israël?
Wat Jezus, apostelen en evangelieschrijvers werkelijk zeggen (AUP 2025).