Zelfs nu de Jodenhaat in ons land tot een alarmerend volume aanzwelt, zwijgt de kerk. Niet alle gelovigen zwijgen, niet alle ambtsdragers, gelukkig niet. De organisatie Christenen voor Israël is daarvan een bemoedigend voorbeeld. In de door haar tegengeluid opgeroepen laster en bedreiging leeft de “haat van de wereld” waar Jezus van spreekt (Joh. 15:18, 17:14). Het is de haat waar dominante groepen in christelijk Nederland vooralsnog voor wegduiken. Juist die instanties die zich min of meer als de stem van de kerk presenteren en die op landelijke aandacht mogen rekenen: synodes, bisschoppen, de Raad van Kerken – die zwijgen.
Spreken ze zich dan helemaal niet uit tegen het antisemitisme? Och ja, natuurlijk wel. Maar het betekent niet veel. Het blijft bij algemene afkeuring, soms vergezeld van de vrome, zij het wat plichtmatige, aantekening dat Jezus zelf een Jood was. En zelden verzuimt men te suggereren dat Netanyahu en de Israëlische legertop na 7 oktober 2023 wel eens even in Nederland hadden mogen informeren welke uit te zetten koers wij hier militair, ethisch en vooral Bijbels verantwoord achtten.
Het is deels te vlak, deels onzuiver van toon. Wat ik, met andere kerkleden, alsnog uit die hogere bestuurlijke regionen hoop te horen, is:
“Met ‘7 oktober’ begon een nog altijd doorgaand offensief tegen het Joodse volk, wereldwijd. Leugen volgt sindsdien op leugen, bloedsprookje op bloedsprookje, vernieling op vernieling, moord op moord. En Nederland doet volop mee. Het ICJ-proces, dat ongeacht de uitkomst het schandalige genocideverwijt aan Israël alleen maar kon versterken, kreeg nadrukkelijk de zegen van onze regering.
Om niet achter te blijven bij hun ambtgenoten in een vorige oorlogstijd, vonden enkele burgemeesters het nodig plechtig eer te betonen aan de kwaadaardige mythe van de “Nakba”.
Joodse landgenoten zeggen steeds vaker zich in Nederland niet meer veilig te voelen, het land, waarin zij opgroeiden en waarvan zij houden, niet meer te herkennen. Dat Lenny Kuhr het hier voor gezien houdt, is geen feit voor de showpagina alleen. Het is van de orde van Marlene Dietrichs weigering terug te keren naar haar door de nazi’s overgenomen vaderland.
De kerk bespeurt in het geschetste klimaat de haat tegen alles waar het Joodse volk voor staat: zijn heilige geschriften, in het bijzonder zijn Wet van bevrijding; de nabijheid van zijn God aan het menselijk leven in al zijn dimensies; de liefde voor het leven en de onvergankelijke hoop die Hij wekt. Of Joden nu in Israël wonen of hier, voor of tegen Netanyahu gestemd hebben, religieus zijn of niet: in hun loutere bestaan is de wereld objectief geconfronteerd met hun God, diens vrijheid, zijn oordeel, zijn liefde. Dat is (als zodanig beseft of niet) de crisis van elk mensenleven. Dat is bedreigend, dat mag er niet zijn. En daarom mogen Joden er niet zijn.
De kerk spreekt uit dat alle laster tegen staat en burgers van Israël een gestalte vormt van de genoemde Jodenhaat. Dat deze haat mede haar levende Joodse Heer treft: het hart van haar geloof, de bron van haar vreugde, haar enige bestaansreden. Dat daarom niemand ruimte kan geven aan de genocideleugen of aan de leuze “from the river to the sea” zonder daarmee Christus te verloochenen. Dat overal waar de overheid zulke leugens en leuzen bijvalt, de kerk in haar een Gode vijandige macht herkent.”
Deze dingen hoorden wij, in deze helderheid, tot op heden van geen enkele representatieve kerkelijke vergadering. Als dat zwijgen aanhoudt, is dat ergerlijker dan de zelfingenomen Rode Lijn-selfies, giftiger dan de antisemitische sfeer in het Concertgebouw. Dan verraadt de kerk, in één moeite door met het Joodse volk, haar Heer.
Max Staudt, emeritus predikant PKN