Alija (vestiging Israël) “op één na beste beslissing” ooit van geboren en getogen Amsterdammer Jair Eisenmann, “de beste beslissing ging met mij mee: mijn vrouw”

Gepubliceerd op 26 juni 2026 om 23:19

Wereldreiziger is hij gebleven Jair Eisenmann, inwoner van Jeruzalem, maar niet langer als actief internationaal zakenman. “In Mokum voelde ik me thuis, in Amsterdam niet meer”, geeft hij in ons interview kort en krachtig aan. “Dat ik mij als Jood in delen van Europa minder vrij voel om zichtbaar Joods te zijn dan vroeger, vind ik misschien wel de pijnlijkste verandering van de afgelopen jaren.”

In een prachtige bijdrage aan “De Vrijdagavond – Online Joods Magazine” schreef u op 16 juni 2026: “De inwoners van dit land (Israël, red.) kunnen elkaar voor rotte vis uitmaken en elkaar soms bijna de kop inslaan – maar tegelijkertijd kunnen ze boven zichzelf uitstijgen op een manier die je nergens anders ziet. (…) Ja, ik zie alle tekortkomingen. Maar op de momenten die ertoe doen, is dit een bijzonder land.”

Dat klinkt als een liefdesverklaring aan de Joodse staat en zijn inwoners. Zou u die met enkele persoonlijke ervaringen willen onderbouwen?

Jair Eisenmann: Dat kan verschillen van grote gebeurtenissen tot heel kleine, persoonlijke ervaringen.

Voor 7 oktober was Israël ernstig verdeeld door de voorgenomen juridische hervormingen. Het land stond lijnrecht tegenover elkaar. Families, vrienden en collega's hadden ruzie en de demonstraties waren massaal. Het leek soms alsof er twee verschillende Israëls bestonden.

Maar op het moment dat de oorlog uitbrak, veranderde alles. De verdeeldheid maakte plaats voor een enorme saamhorigheid. Mensen die elkaar een week eerder nog fel bestreden, vochten nu zij aan zij in Gaza. Waar ze eerst tegenover elkaar stonden tijdens demonstraties, zaten ze nu samen in een tank.

Tijdens de oorlog zijn helaas veel soldaten gesneuveld, onder wie ook veel lone soldiers: jonge mannen en vrouwen die na de middelbare school alleen naar Israël kwamen om in het leger te dienen, zonder familie in het land.

In een van de eerste weken van de oorlog zag ik een oproep om naar de begrafenis van zo'n lone soldier te komen. Het was vrijdagmiddag en men wist niet zeker of er wel een minjan – een quorum van tien mensen – aanwezig zou zijn. Ik twijfelde geen moment en reed erheen.

Twee uur later kwam ik aan. Maar ik was niet de enige. Volgens de politie waren ongeveer 2.500 mensen gekomen om een jonge man, die zij nooit hadden gekend, de laatste eer te bewijzen. Dat heeft een enorme indruk op mij gemaakt en zegt misschien wel meer over Israël dan duizend woorden.

Sinds 2021 woont u in Jeruzalem. Wat bewoog u tot alija als geboren en getogen Amsterdammer?

Jair Eisenmann: Juist omdat ik een geboren en getogen Amsterdammer ben, krijg ik die vraag vaak.

Laat ik vooropstellen dat onze alija destijds niets met het toenemende antisemitisme te maken had. Ik zag simpelweg geen toekomst meer voor mezelf in Amsterdam. Mijn moeder woonde al in Israël en onze zoon woonde in New York. Voor ons voelde het alsof een nieuw hoofdstuk was aangebroken.

Het was de op één na beste beslissing die ik ooit heb genomen. De beste beslissing ging met mij mee: mijn vrouw.

In de afgelopen vijf jaar is Europa echter sterk veranderd, en naar mijn overtuiging niet ten goede. Als ik destijds nog niet uit Amsterdam was vertrokken, dan waren de ontwikkelingen van de laatste jaren voor mij zeker het laatste zetje geweest om alsnog alija te maken.

Ik besef dat ik in de gelukkige omstandigheid verkeer dat ik die keuze kon maken. Niet iedereen heeft die mogelijkheid. Maar als u mij vraagt hoe ik naar de toekomst kijk, dan vrees ik dat er op de lange termijn voor Joden geen toekomst meer is in Nederland.

U heeft zich jarenlang ingezet voor Joods Amsterdam en evenzeer in de Amsterdamse gemeentepolitiek. Deelt u de mening van Esther Voet, hoofdredacteur NIW, dat Amsterdam de naam Mokum niet meer verdient?

Jair Eisenmann: Ja ik ben het helaas helemaal met haar eens. In Mokum voelde ik me thuis, in Amsterdam niet meer

Overigens benadrukte het pas aangetreden Joodse raadslid in Amsterdam, Naomi Italiaander (JA21), in een hartstochtelijke maidenspeech “haar wil, overtuiging en energie van Mokum weer de stad van alle Amsterdammers te maken”, aldus het NIW-verslag van Ruben Gischler (19 juni 2026). Bijzonder moedig, maar hoe kansrijk schat u dit bovenal lovenswaardige politieke streven (nog) in?

Jair Eisenmann: Ik heb veel respect en sympathie voor Naomi. Ik vind haar moedig en idealistisch. Maar eerlijk gezegd vrees ik dat zij tegen de bierkaai vecht.

Als je kijkt naar de huidige gemeenteraad van Amsterdam, zie je dat daar een uitgesproken anti-Israëlkoers wordt gevaren. Voor mij is dat niet los te zien van antisemitisme. De Joodse schrijver Abel Herzberg verwoordde dat ooit treffend: "Het verschil tussen anti-Israël en anti-Joods is alsof je tegen mijn linker- of mijn rechterbeen trapt." Die uitspraak is vandaag misschien wel actueler dan ooit.

Ik gun Naomi van harte dat zij mijn ongelijk bewijst. Maar ik acht de kans klein dat zij, hoe gedreven ook, de politieke cultuur in Amsterdam wezenlijk kan veranderen. Dat maakt haar inzet des te bewonderenswaardiger, maar ook des te moeilijker.

Als internationaal zakenman reist u de wereld rond. Ontmoet u in uw professie ook haatuitingen jegens uw land, de Joodse staat en/of tegen uw volk, het Joodse volk? Vormde de 7e oktober 2023, het bloedbad van Hamas op Israëlisch grondgebied en de massale gijzeling van Israëli’s, soms ook in uw werkomgeving een ‘waterscheiding’?

Jair Eisenmann: Ik werk niet meer actief, maar reis nog altijd veel. Tijdens mijn werkzame leven heb ik eigenlijk nooit openlijk met haat te maken gehad. Althans, niet direct. Wat er achter mijn rug werd gezegd of gedacht, weet ik natuurlijk niet.

Na 7 oktober is er voor mij persoonlijk wel iets wezenlijks veranderd. Waar ik vroeger zonder nadenken met een keppel over straat liep, draag ik buiten Israël steeds vaker een pet. Dat is geen keuze uit gemak, maar uit voorzichtigheid.

Dat ik mij als Jood in delen van Europa minder vrij voel om zichtbaar Joods te zijn dan vroeger, vind ik misschien wel de pijnlijkste verandering van de afgelopen jaren. Alleen al het feit dat ik daar tegenwoordig over moet nadenken, zegt eigenlijk al genoeg.

Onder de kop “Joods en ongebonden” in De Groene Amsterdammer (17 juni 2026) draagt Margalith Kleijwegt “een ongemakkelijke waarheid” aan “die in veel discussies wordt ontweken: dat het huidige Israëlische beleid niet alleen Palestijnen schaadt, maar ook joden buiten Israël kwetsbaarder maakt. In die zin is de koppeling tussen joodse identiteit en de Israëlische staat een risico: zij voedt wantrouwen en vergroot spanningen. Het zou al helpen wanneer ‘de joodse gemeenschap’ zich dat meer zou realiseren, in plaats van bij elke kritische kanttekening die onveilig aanvoelt de antisemitisme-kaart te trekken.”

Om het zeer diplomatiek te verwoorden: een zeer problematische visie op de regionale realiteit waarmee de staat Israël al vanaf zijn stichting in 1948 kampt alsmede op reële haatuitingen waarmee de Joodse gemeenschap historisch en na 7 oktober 2023 in alle hevigheid kampt. Graag uw commentaar!

Jair Eisenmann: Voor mij is antisemitisme niet een probleem van de Joodse gemeenschap, maar van de samenleving als geheel. Het is aan de maatschappij om dat probleem op te lossen, niet aan Joden om zich voortdurend aan te passen of te verantwoorden.

Hetzelfde geldt voor Israël. Je hoeft het niet met iedere Israëlische regering eens te zijn. Ook in Israël zelf is er volop kritiek op de regering. Je mag beleid bekritiseren, analyseren en ter discussie stellen. Dat hoort bij een democratie. Maar kritiek op een regering mag nooit de basis vormen om een heel land, laat staan alle Joden, af te schrijven.

Hetzelfde zien we in de internationale politiek. De Verenigde Staten zijn al ruim 250 jaar een trouwe bondgenoot van Europa. Dat er nu een regering zit waar veel Europeanen moeite mee hebben, betekent toch niet dat je die historische relatie moet opblazen? Juist op de lange termijn zijn stabiele bondgenootschappen van groot belang.

Zo kijk ik ook naar Israël. Het is volkomen legitiem om kritiek te hebben op het beleid van een Israëlische regering. Dat heb ik soms zelf ook. Maar de relatie met Israël zou gebaseerd moeten zijn op gedeelde waarden en wederzijdse belangen, niet op de politieke kleur van de regering van dat moment.

En als Europese landen Israël de maat nemen, mogen Joden ook verwachten dat diezelfde landen hun eigen verantwoordelijkheid nemen. Bijvoorbeeld door hun Joodse burgers daadwerkelijk te beschermen tegen het toenemende antisemitisme. Ook daar valt nog veel te verbeteren.

Over welke binnenlandse problemen maakt u zich de meeste zorgen als Israëlische staatsburger?

Jair Eisenmann: Waar ik mij als Israëlische staatsburger misschien wel de meeste zorgen over maak, is de voortdurende weigering van een groot deel van de ultraorthodoxe gemeenschap om militaire dienst te vervullen.

Israël is een land dat voortdurend onder grote veiligheidsdruk staat. Jongeren uit vrijwel alle geledingen van de samenleving dienen in het leger en brengen soms jarenlang grote persoonlijke offers. Dat een aanzienlijke groep hiervan structureel is vrijgesteld, zorgt voor steeds meer frustratie en verdeeldheid.

De emoties lopen hierover inmiddels zo hoog op dat ik dit zie als een van de grootste binnenlandse uitdagingen van Israël. Als hiervoor geen breed gedragen oplossing wordt gevonden, vrees ik dat dit de sociale cohesie ernstig kan aantasten. Sommigen spreken zelfs over het risico van een burgeroorlog. Ik hoop oprecht dat het nooit zover komt, maar de ernst van de verdeeldheid mogen we niet onderschatten.

En over welke buitenlandse, geostrategische problemen, zeker na de Trump-deal met de Islamitische Republiek Iran?

Jair Eisenmann: Waar ik mij het meeste zorgen over maak, is de toenemende internationale isolatie van Israël. Zeker nu het erop lijkt dat ook de Verenigde Staten, Israëls belangrijkste bondgenoot, meer afstand nemen. Dat baart mij zorgen, want Israël kan zich niet permitteren volledig alleen te staan in een instabiele regio.

Tegelijkertijd ben ik minder pessimistisch dan vroeger. Sinds 1948 heeft Israël zich ontwikkeld van een kwetsbare jonge staat tot een sterke, innovatieve en militair zeer capabele natie. We zijn veel minder afhankelijk van anderen dan vroeger en kunnen ons in toenemende mate zelf verdedigen.

Dat neemt niet weg dat sterke internationale relaties van groot belang blijven. Juist daarom hoop ik dat men, ook wanneer er politieke verschillen bestaan met een bepaalde Israëlische regering, het onderscheid blijft maken tussen een tijdelijke regering en de strategische relatie met de staat Israël. Bondgenootschappen bouw je voor de lange termijn, niet voor één kabinetsperiode.

Naast alle zakelijke activiteiten bent u medeoprichter en huidige voorzitter van de Stichting Gilat. Welke doelstelling(en) streeft Gilat na en welke activiteiten ontplooit zij?

Jair Eisenmann: Stichting Gilat brengt interactieve theatervoorstellingen naar kinderen in ziekenhuizen. In Nederland doen wij dat al jarenlang, met ongeveer 250 voorstellingen per jaar.

De afgelopen jaren zijn wij ook in Israël begonnen. Daar willen wij aan het einde van dit jaar actief zijn in zeven ziekenhuizen. Juist in Israël heeft dit werk een bijzondere betekenis. In ziekenhuizen ontmoeten Joodse en Arabische kinderen elkaar op een plek waar ziekte, angst en spanning even naar de achtergrond verdwijnen.

Het mooiste vind ik de interactie die tijdens de voorstellingen ontstaat. Je ziet Joodse en Arabische kindertjes samen lachen, reageren en meedoen. En niet alleen de kinderen; ook de moeders doen mee. Ik heb met eigen ogen gezien hoe Joodse en Arabische moeders samen dansten.

Wij lossen het conflict natuurlijk niet op. Dat zou veel te groot gezegd zijn. Maar we brengen wel een sprankje hoop, juist op een plek waar mensen dat vaak het hardst nodig hebben.

Welke dringende boodschap wilt u als Israëli met vaste en lange Nederlandse wortels onze bestuurders én burgers meegeven, op het hart drukken?

Jair Eisenmann: Kijk niet alleen naar de waan van de dag, maar ook naar de lange termijn.

Israël is veel meer dan een onderwerp van het dagelijkse nieuws. Het is een democratische bondgenoot die dezelfde fundamentele waarden deelt als Europa: vrijheid, democratie en de rechtsstaat. Juist daarom is Israël een belangrijke partner.

Natuurlijk kun je kritiek hebben op een Israëlische regering. Dat heb ik soms zelf ook. Maar verlies daarbij nooit de strategische relatie uit het oog. Die is belangrijker dan de politieke kleur van een kabinet.

Daarnaast geloof ik dat Europa zich onvoldoende realiseert dat Israël niet alleen zijn eigen veiligheid verdedigt. Israël staat ook in de frontlinie van de strijd tegen extremistische organisaties die uiteindelijk ook een bedreiging vormen voor Europa. De veiligheid van Israël en die van Europa zijn, meer dan velen beseffen, met elkaar verbonden.

Mijn oproep is daarom: blijf kritisch waar dat nodig is, maar verlies het grotere geheel niet uit het oog. Goede bondgenoten beoordeel je over tientallen jaren, niet over één politieke periode.