
Een klimaat van angst en uitsluiting kenmerkt Joods studenten- en docentenleven op Europese universiteiten, betoogt een nieuw gezamenlijk rapport van drie organisaties, B’nai B’rith International, democ en de European Union of Jewish Students (EUJS). Maar welke groeperingen, personen dragen hiervoor verantwoordelijkheid, een zware schuld? Ook dit kernprobleem stelt de publicatie uitdrukkelijk aan de orde. Grosso modo worden de anti-Israëlische studentenprotesten gesteund door organisaties met banden met een door de EU als terroristisch bestempelde Palestijnse organisatie, de PFLP ofwel het Volksfront voor de Bevrijding van Palestina, voorts door externe groeperingen, bijvoorbeeld uit de BDS-scène en, niet te vergeten, door de prominente deelname van professoren aan demonstraties en ‘last but not least’ door communistische groeperingen.
Wat die eerste actor betreft -aan terroristische activiteiten gelieerde organisaties- meldt het rapport dat in Oostenrijk, Duitsland en Spanje organisaties als Samidoun (het Netwerk voor Solidariteit met Palestijnse Gevangenen) of Masar Badil (de Palestijnse Beweging van het Alternatieve Revolutionaire Pad) een actieve rol speelden bij de protesten. Beide zijn verweven met het reeds genoemde PFLP. Van belang is de aanvullding die het rapport geeft op deze details: “Andere organisaties, zoals Dar al Janub of BDS in Oostenrijk hebben directe, gedocumenteerde links met Hamas.” Ziedaar!
In bepaalde gevallen geven de landenverslagen in het rapport ook de betrokkenheid van externe koepelgroeperingen aan bij het anti-Israëlische tumult op campussen. Zij zorgen voor het protestmateriaal, coördineren de leuzen, de eisen, verzorgen de pr via de sociale media en introduceren de gastsprekers. Deze groeperingen bestaan uit nationale of lokale BDS-afdelingen of ook wel nieuw geformeerde groepen zoals bijvoorbeeld in Spaans Catalonië, de “Ciutadants per Palestina” (“Burgers voor Palestina”). Denk ook aan de Zweedse tak van de milieubeweging “Fridays for Future” met “de prominente deelname van klimaatactiviste Greta Thunberg”.
Een terugkerend element, aldus het rapport, is de betrokkenheid van communistische groepen en partijafdelingen. Zo is de “Revolutionaire Communistische Partij” van Oostenrijk regelmatig present op het academische front. De groep “Young Struggle” (“Jonge Strijd”), de jeugdorganisatie van de Turkse Marxistisch-Leninistische Partij (MLKP), geeft acte de présence op anti-Israëlische manifestaties in zowel Duitsland als Oostenrijk. Verder komt nog de Duitse groep “Kommunistischer Aufbau” in beeld bij universiteitsprotesten en “het promoten van antisemitische narratieven”.
Bijzonder treurig is de prominente rol van hoogleraren bij de constante publieke demonisering van de Joodse staat op de campussen. Het rapport spreekt zich daar onomwonden over uit: “Hun vocale steun en ondubbelzinnige solidariteit met de protestbeweging hebben bijgedragen aan een omgeving van stress voor en uitsluiting van Joodse studenten.”
Professoren hebben meegewerkt aan het ontstaan van een virulent anti-Israël narratief dat somtijds overging in regelrecht antisemitisme, vervolgt het rapport. Een treffend voorbeeld daarvan is de verklaring van een senior professor in Oostenrijk, die stelde dat “eenieder die Israëls recht op bestaan erkent, imperialisme, kolonialisme en racisme erkent”. Even abject uitte zich een professor uit het Verenigd Koninkrijk in de sociale media: “Hebreeuwse propaganda onthult sommige bijzonder bedrieglijke leugens. Het gemak waarmee de Jood, een gewone of invloedrijke, oorlogsverminkingen beschrijft, is indicatief voor een onbewogen wreedheid.”
Tot slot van deze tweede bijdrage over het belangwekkende rapport van B’nai B’rith, democ en de EUJS nog een tweetal aandachtspunten: het falen van veel universiteitsbesturen om op te treden tegen antisemitische incidenten en als gevolg daarvan de niet te onderschatten negatieve effecten op de leef- en studiesituatie van Jodinnen en Joden op Europese universiteiten.
Over het eerste punt merkt het rapport dat het uitblijven van een krachtige houding tegen Jodenhaat op de campus door de verantwoordelijke universitaire bestuurders heeft geleid tot “het toestaan van een omgeving van intimidatie en vijandigheid jegens Joodse studenten die kon voortduren onder de dekmantel van politiek activisme”.
Ten aanzien van het tweede aandachtspunt constateert het rapport dat als resultante van dit vijandige academische klimaat Joodse studenten aan Europese universiteiten leden onder angstgevoelens, persoonlijk isolement en ontrechting binnen de academische ruimte. Dat laatste aspect legt klip en klaar een academisch faillissement bloot: de academische ruimte dient immers een plek te zijn van wederzijds respect én bovenal open discussie!
Dit is de tweede bijdrage in een serie over het nieuwe rapport “A climate of fear and exclusion”: Antisemitism at European universities – A look at select countries, Washington, 2025.
Reactie plaatsen
Reacties