Het Taskforce-rapport dat het probleem erkent, maar verantwoordelijkheid vermijdt - Eliyahu V. Sapir en Amanda Kluveld

Gepubliceerd op 6 april 2026 om 12:52

Na protesten en oplopende spanningen sinds 7 oktober 2023 richtte de Nederlandse regering de Taskforce Antisemitisme-bestrijding op om maatregelen voor te stellen ter verbetering van de veiligheid van Joden, waaronder studenten in het hoger onderwijs. Het rapport, Gevangen in Vrijheden, zal op 14 april aanstaande worden besproken in de vaste parlementaire commissies van OCW en Justitie en Veiligheid. De auteurs van dit stuk hebben een onafhankelijke deskundige analyse ingediend om die discussie te onderbouwen.  Hier volgt een samenvatting van de belangrijkste punten. 

In de maanden na 7 oktober 2023 zijn veel Joodse studenten en medewerkers in Nederland gestopt met het spreken van Hebreeuws op de campus. Anderen hebben zichtbare identiteitssymbolen verwijderd of colleges helemaal vermeden op dagen van protesten op de studieplek.

Het Nederlandse Taskforce-rapport Gevangen in Vrijheden erkent dat er angst heerst op de campussen, dat er sprake is van toenemende spanningen en druk op de universitaire leiding.

Dat is belangrijk, maar het is niet genoeg. Het rapport is immers zo opgebouwd dat echte verantwoording schier onmogelijk wordt. Het herkent weliswaar de schade, vermijdt echter uitleg waar die schade vandaan komt. Het benoemt angst, maar schuift de verantwoordelijkheid weg van de instellingen die het campusleven vormgeven.

Het fundamentele probleem wordt vaak gepresenteerd als een conflict over protest en vrije meningsuiting. Maar het probleem zit dieper. Als je niet vraagt of instellingen een rol spelen in het creëren van deze omstandigheden, zul je niet opmerken dat ze dat wel doen. Wat er op de campus gebeurt, blijft daar bovendien niet, universiteiten helpen mee de normen te bepalen die zich in het openbare leven manifesteren.

Een mandaat dat het antwoord beperkt

De Taskforce werd gevraagd aanbevelingen te doen binnen de bestaande juridische kaders, met de nadruk op het beheersen van demonstraties en het voorkomen van escalatie. Die inkadering bepaalt al de uitkomst. Een mandaat dat institutionele verantwoordelijkheid vermijdt, zal die niet opleveren.

Er is geen vereiste gesteld om antisemitisme te onderzoeken als een vorm van discriminatie die in institutionele beslissingen is ingebed, noch wordt gevraagd hoe het universiteitsbeleid zelf kan bijdragen aan een effectieve aanpak van het probleem. Wat overblijft is een rapport dat spanning beschrijft, maar niet bij de diagnose komt, laat dus staan werkelijk gerichte aanbevelingen doet.

Wie onderzoekt zaken

De samenstelling van de Taskforce roept een tweede ernstige kwestie op. Universiteitsleiders en overheidsinstanties worden metterdaad gevraagd een crisis te beoordelen waarin hun eigen keuzes een centrale rol spelen. Er is geen structurele vertegenwoordiging van Joodse of Israëlische academische medewerkers als groep. Geen onafhankelijke experts die belast kunnen worden met het controleren van het universiteitsbeleid. Kortom, een kritisch in- en extern perspectief notabene geheel! Op de meeste gebieden van discriminatieonderzoek zou dit onacceptabel zijn. Instellingen onderzoeken zichzelf niet zonder toezicht, zeker niet wanneer hun eigen functioneren rechtstreeks in het geding is.

Universiteiten zijn geen toeschouwers

Het rapport schetst universiteiten als gevangen in het midden, terwijl ze proberen concurrerende druk in balans te brengen. Echter, universiteiten zijn niet passief geweest.

In de afgelopen maanden hebben universiteiten in meerdere gevallen samenwerkingen, die gekoppeld zijn aan Israëlische partners, beoordeeld. Zij hebben vervolgens politieke verklaringen over het conflict afgelegd en onder druk uitgenodigde sprekers teruggetrokken. Protestregels zijn ook ongelijk toegepast.

Dit zijn geen neutrale handelingen. Zij bepalen wat er gezegd kan worden, wie zich in staat voelt deel te nemen en welke identiteiten op de campus worden betwist. Wanneer die beslissingen buiten beedl blijven, verdwijnt de verantwoordelijkheid.

Als er data ontbreken, vraag dan waarom

De Taskforce merkt op dat er weinig systematische gegevens zijn over antisemitische incidenten in het hoger onderwijs. Hij behandelt dit gegeven als een beperking. Dit is evenwel in feite geen beperking. Het is een bevinding die ons iets vertelt over beleidskeuzes.

Het ontbreken van gegevens weerspiegelt institutionele beslissingen: geen verplichte meldsystemen, weinig tracking van incidenten onder de strafrechtelijke drempel, en wijdverspreide terughoudendheid bij antisemitische voorvallen onder degenen die geen zinvolle reactie verwachten.

Ander onderzoek schetst een duidelijker beeld [LINK NAAR PDF 2024]. Ons onderzoek aan Nederlandse universiteiten en hogescholen toonde aan dat meer dan 60 procent van de respondenten aanhoudende gevoelens van onzekerheid op de campus aangaf, zelfs zonder enig strafbaar incident. De effecten zijn stiller maar verstrekkend: zelfcensuur, terugtrekking en de noodzaak om je identiteit te verbergen.

Dit zijn standaardindicatoren van een vijandige omgeving. Hun afwezigheid in officiële gegevens maakt hen niet minder echt.

Het probleem met "97 procent vreedzaam"

Een van de meest geruststellende beweringen in het rapport is dat 97 procent van de demonstraties vreedzaam is. Maar vredig voor wie? Rustig in politiegegevens betekent niet dat je veilig bent qua levenservaring.

De statistiek is gebaseerd op algemene protestgegevens, niet op basis van de specifieke context van herhaalde, gerichte demonstraties in academische ruimtes. Het meet de afwezigheid van door de politie geregistreerde incidenten, niet de aanwezigheid van veiligheid.

Voor degenen die getroffen zijn, stapelt schade zich in de loop van de tijd op: leuzen die Joodse zelfbeschikking ontkennen, retoriek die "zionisten" als legitieme doelwitten neerzet, en een campusklimaat waarin jezelf uitspreken risico's met zich meebrengt. Na maanden hiervan is de vraag niet langer of een protest wettelijk "vreedzaam" is. Het gaat erom of het milieu inclusief blijft.

De grijze zone is waar verantwoordelijkheid begint

De Taskforce merkt terecht op dat veel hedendaags antisemitisme zich in een juridisch grijs gebied bevindt. Het trekt evenwel de verkeerde conclusie. In plaats van duidelijke institutionele normen vast te stellen, behandelt het juridische ambiguïteit als reden voor terughoudendheid. In de praktijk handelen universiteiten alleen wanneer gedrag crimineel wordt.

Dit is geen voorzichtigheid. Het is institutionele (ver)mijding. Universiteiten zijn geen rechtbanken. Hun verantwoordelijkheid is essentieel genoeg breder: het waarborgen van gelijke studie- en doceertoegang ofwel een reguliere functionerende academische omgeving. Als ze niet kunnen handelen totdat de politie dat kan, falen ze al in die verantwoordelijkheid.

Een vals evenwicht

Het rapport toont aanzienlijke empathie voor bestuurders. Aarzeling in leiderschap wordt als begrijpelijk beschreven, juridische voorzichtigheid geldt als verstandig.

Maar dit creëert een valse balans. Bestuurders lopen reputatierisico's. Joodse/Israëlische studenten en personeel alsmede hun niet-Joodse sympathisanten worden geïsoleerd, uitgesloten en soms bang voor de eigen veiligheid. Dit zijn geen gelijkwaardige posities. Ze als gelijkwaardig behandelen, zorgt niet voor evenwicht. Het beschermt degenen die al aan de macht zijn.

Herkenning zonder gevolgen

Het rapport van de Taskforce heeft geen ongelijk in wat het ziet. Het is onvolledig in wat het bereid is te onderzoeken en derhalve ook te concluderen. Het erkent schade, maar wijst geen verantwoordelijkheid toe. Het erkent angst, maar spoort de oorzaken niet op. Het vraagt om leiderschap, terwijl leiders grotendeels onder de radar blijven.

Dit is erkenning zonder gevolgen. En dat heeft grote serieuze gevolgen. Rapporten als deze bepalen wat toezichthouders monitoren, wat universiteiten acceptabel vinden en welke schade onzichtbaar blijft. Wanneer ze verantwoording vermijden, stellen ze niet alleen oplossingen uit, ze maken de status quo duurzamer.

Voor de getroffenen zijn dit geen abstracte beleidsfouten. Deze ultieme omissies bepalen of ze überhaupt kunnen deelnemen aan het academische leven.

Wat moet er veranderen

De oplossingen zijn niet onduidelijk, alleen lijken zij politiek lastig. Een serieuze reactie zou onafhankelijke, slachtoffergerichte documentatie omvatten, verplichte melding van incidenten – inclusief die onder de strafrechtelijke drempel, duidelijke institutionele normen voor ‘grijze zone-schade’ en verantwoording gekoppeld aan de besluitvorming van de universiteit. Zonder deze zullen toekomstige rapporten de huidige academische crisis blijven beschrijven, terwijl er weinig veranderingen plaatsvinden.

Herkenning en erkenning vormen volgens de Taskforce niet langer het probleem. De kardinale vraag blijft staan: wanneer en door wie wordt de elementaire academische vrijheid en veiligheid hersteld voor allen die studeren of werkzaam zijn aan Nederlandse universiteiten hogescholen?