De strijd tegen Iran: Internationaal recht, zelfverdediging en de grenzen van diplomatie

Gepubliceerd op 8 maart 2026 om 01:01

In de discussies over de aanval op het theocratische Iran wordt steeds gewezen op de schending van soevereiniteit door Israël en de Verenigde Staten van Amerika. Ook komt telkens het oordeel dat de aanval in strijd is met internationaal recht. Dit is een versimpeling van een complexe werkelijkheid waarbij veiligheid en bestaanszekerheid over het hoofd worden gezien.

 

Internationaal recht en de mythe van normvernietiging

De stelling dat een militaire aanval op Iran het internationaal recht 'doet sterven' - zoals gesuggereerd – is een overdreven zienswijze. Één unilaterale actie zou de structuur van de internationale orde fundamenteel ondermijnen.

Die these is alleen begrijpelijk vanuit een sterk legalistisch perspectief. Alsof recht een vorm van wiskunde is. Deze blik abstraheert echter de politieke en veiligheidscontext waarin het internationaal recht functioneert.

 

Het recht opereert niet in een vacuüm of in een gesloten eenduidige werkelijkheid. De rechtsorde wordt voortdurend gevormd en begrensd door machtsverhoudingen, internationale betrekkingen, dreigingspercepties en strategische realiteiten.

 

Elke unilaterale aanval is niet normvernietigend; de impliciete eis van perfecte consistentie bestaat gewoonweg niet. De gedachte dat ingrijpen tegen één regime alleen legitiem kan zijn wanneer je bereid bent overal in te grijpen, introduceert een absolute maatstaf die in de praktijk onhaalbaar en onuitvoerbaar is. Het is een naïeve kijk op de complexiteit van de wereld.

 

Internationale politiek kent nooit universele handhaving. Er zijn verschillen op tal van vlakken waardoor afwegingen moeten plaatsvinden: de problematieken, de militaire kansen, de aard van dreigingen, de strategische belangen en geografische mogelijkheden. Selectiviteit is geen bewijs van normloosheid, maar een structureel kenmerk van analyses en opereren binnen een systeem zonder wereldregering.

 

De beperkingen van de VN-Veiligheidsraad en grootmachten

Daarnaast wordt vaak verondersteld dat alleen een expliciet mandaat van de VN-Veiligheidsraad legitimiteit kan verschaffen. Juridisch gezien is dat juist, in strikte lezing, maar zij houdt geen rekening met de institutionele realiteit van het vetorecht. Permanente leden zoals Rusland en China beschikken immers daarover om resoluties te blokkeren op basis van eigen strategische belangen. Net zoals de Verenigde Staten van Amerika. Laten we eerlijk zijn: een militair optreden tegen Iran met steun van de Veiligheidsraad is een papieren werkelijkheid.

 

In situaties waarin een van deze grootmachten politieke, ideologische of economische banden onderhoudt met de betrokken staat, is de kans op een mandaat nihil, ongeacht de aard van de dreiging. Dat betekent dat een strikt procedurele opvatting van legitimiteit in de praktijk leidt tot structurele verlamming. De Verenigde Naties zijn alleen op papier verenigd.

 

De vraag is dan of internationale veiligheid volledig afhankelijk moet zijn van de bereidheid van rivaliserende grootmachten om consensus te bereiken. Zo leg je het lot van een volk in handen van een absurd spel waarvan je weet wat de uitkomst is.

 

Israël, existentiële dreiging en zelfverdediging

Voor Israël krijgt deze discussie een existentieel gewicht. Israël bevindt zich sinds zijn oprichting in een veiligheidsomgeving waarin militaire dreiging geen hypothetisch scenario is, maar een terugkerend gegeven. Het land heeft meerdere interstatelijke oorlogen moeten doorstaan en wordt ieder moment geconfronteerd met niet-statelijke terroristische actoren die expliciet zijn bestaansrecht ontkennen.

 

De Israëlische veiligheidsdoctrine is historisch gevormd door het uitgangspunt dat strategische verrassing moet worden voorkomen in plaats van beantwoord nadat zij zich heeft gemanifesteerd. Gewoonweg omdat het anders te laat kan zijn. De existentiële dreiging is een gegeven en daarmee is het lot in handen leggen van een Veiligheidsraad een vorm van collectieve zelfdoding.

 

In deze overleven-context van Israël is de ontwikkeling van nucleaire capaciteit door Iran geen louter theoretisch, filosofisch of diplomatiek vraagstuk. 

 

Iran is een kwaadaardig theocratisch regime - het land is sinds 1979 bezet, er zijn nauwelijks vrijheden, vrouwen en anderen worden onderdrukt, er is geen vrije pers, er vinden martelingen, executies en zuiveringen plaats - waarin fundamentalistische religieus-ideologische elementen zo’n rol spelen dat van rationele politieke overwegingen of realpolitik nauwelijks sprake is.

 

Het regime ondersteunt terroristische groeperingen in de regio en uit voortdurende vijandige retoriek jegens Israël. De mate waarin dergelijke retoriek moet worden opgevat als strategische afschrikking dan wel ideologisch gemotiveerde intentie, is onderwerp van debat. 

 

Iran wil Israël vernietigen en de machthebbers – die denken te handelen met steun van het opperwezen – gaan geen seconde aarzelen om op de allesbepalende vernietigende knop te drukken. De combinatie van ideologische vijandigheid en potentiële nucleaire capaciteit maakt de risicostructuur waarin Israël moet overleven fundamenteel.

 

Klassieke afschrikkingstheorie veronderstelt dat actoren primair gericht zijn op regimebehoud en daarom rationeel zullen handelen wanneer zij geconfronteerd worden met wederzijdse vernietiging. Die veronderstelling is per definitie ongeldig in het geval van Iran.   Vanuit Israëlisch perspectief kan het risico dat deze aanname onjuist blijkt, niet lichtvaardig worden bekeken.

 

Diplomatie en sancties in het Iraanse dossier kennen een lange geschiedenis, maar werken niet voldoende. Onderhandelingen hebben periodes van beperking en inspectie opgeleverd, maar ook duidelijke schendingen en vertragingstactieken. Sancties hebben economische druk gegenereerd, waar het volk onder lijdt, maar het regime niet.

 

Is soevereiniteit het enige recht?

 

De kern van het debat ligt uiteindelijk bij de interpretatie van zelfverdediging in het internationaal recht. Artikel 51 van het VN-Handvest erkent het recht op zelfverdediging bij een gewapende aanval, maar de interpretatie is in de loop der tijd geëvolueerd. 

 

In dit tijdperk van ballistische raketten en nucleaire proliferatie kan het wachten op een feitelijke aanval betekenen dat het praktisch voortbestaan slechts nog minuten duurt.

 

Het is daarom analytisch onjuist om te stellen dat een militaire actie tegen Iran noodzakelijkerwijs het einde van het internationaal recht markeert. De internationale rechtsorde wordt niet opgeheven door conflicten en oorlogen; zij wordt gevormd door de manier waarop staten met conflicten omgaan binnen complexe contexten.

 

Voor Israël kan de conclusie, hoe ongemakkelijk ook voor veilige landen, zijn dat het risico van afwachtend nietsdoen te groot is. Groter dan het risico van handelen. In een situatie waarin geen twijfel is over de intentie van de vijanden en toekomstige capaciteiten potentieel existentiële gevolgen hebben, wordt preventief aanvallen niet primair een keuze van machtspolitiek, maar een interpretatie van het recht en ethiek om te kunnen overleven.

 

Het strikt volgen van het internationaal recht is alleen in een rechtvaardige, redelijke en rationele wereld mogelijk. Soms zijn preventieve zelfverdedigingacties om te overleven noodzakelijk. De aanval op Iran is niet in strijd met recht dat zich ontwikkelt, ethiek dat meerdere gezichten heeft en mensenrechten die op het spel staan.

 

Bernd Timmerman, historicus & socioloog.